Vreid :: V

Indie Recordings, 2011

Ik was tot elf toetsaanslagen geleden van plan om dit stukje te
beginnen met een standaardzin à la “Vreid is een Noorse
blackmetalband”. Daar zie ik dus op het laatste moment van af. Niet
omdat de band plots verhuisd blijkt te zijn, wel omdat ik na een
stuk of vijf luisterbeurten van ‘V’ echt niet kan zeggen dat het
hier nog om blackmetal gaat. Vreid is niet ruig, niet dreigend en
vooral niet misantropisch en zwartgallig genoeg om dat etiketje
toebedeeld te krijgen.

Ga nu echter niet lopen vertellen dat Stijn gezegd heeft dat
Vreid geen metalband is of zo, want dat zijn ze wel degelijk.
Misschien wel nog meer dan op hun vorige album ‘Milorg‘. De nieuwe
leadgitarist speelt namelijk bij momenten van die wijdbeense solo’s
die een rechtstreekse bloedlijn lijken te hebben tot aan de
oorsprong van het genre. Dat toont hij al meteen in opener
‘Arche’.

Met de riffs zit het trouwens ook wel goed. Onder andere in
‘Wolverine Bastards’, ‘Slave’ of ‘Welcome to the Asylum’ zitten
flink weg hakkende thrashmetalriffs. Meestal worden die ondersteund
door de voluptueuze baslijnen van de belangrijkste songschrijver
Hváll. Die thrashinvloed lijkt me op dit album sterker aanwezig dan
op het vorige, in die mate zelfs dat ik af en toe wel eens een
keertje aan Kreator moest denken.
Ook de snerpende stem van zanger en gitarist Sture lijkt wel een
beetje op die van Mille Petrozza, maar dan geïmiteerd door een
bostrol. Die stem en een occasioneel stukje blastbeat zijn mijns
inziens het enige waar men zich op nog kan funderen om ‘V’
blackmetal te noemen.

De aanwezige niet-metalgedeeltes zullen mogelijk meer stof tot
discussie opleveren dan de bepaling van de exacte stijl van het
geheel. Bijna ieder nummer bevat wel een passage waarin de
distortion afgaat en het tempo helemaal gevierd wordt. De
toon van die stukken varieert van depressief over melancholisch tot
tranerig en bombastisch. Soms wordt een stevig potje headbangen
zelfs vrij plots onderbroken om plaats te maken voor wat rustieke,
contemplatieve toets- of gitaarakkoorden, zoals in ‘Fire on The
Mountain’.

In ‘The Sound of The River’ en ‘The Blood Eagle’ maken zelfs
strijkers hun opwachting, de sfeer die erdoor geschapen wordt gaat
in dat eerste nummer helemaal ten onder aan de valse zang. Échte
zang, naast grommen en schreeuwen, wordt in meerdere nummers
gebruikt en meestal gelukkig beter dan in dat nummer.

Twee van de opvallendste nummers zijn het tien minuten durende
‘The Others & The Look’ en het afsluitende ‘Then We Die’. Het
epische bedoelde ‘The Others…’ komt bij mij toch vooral over als
een opeenvolging van ruigere en zachte passages en niet echt als
een verhaal. Toch is het wel een geslaagd nummer want het bevat
enkele van de meeste gewaagde klanken op ‘V’, zoals een erg doomy
passage, en het einde dat al serieus naar progressieve rock neigt.
‘Then We Die’ sluit het album op melodramatische toon af; in het
nummer gaan bombastische kerkorgels en een tranerige leadgitaar een
duel aan “om ter meeste mondhoeken naar beneden trekken”.

Uiteindelijk weet ik niet goed wat te vinden van dit album. Het
is waar dat je er bij iedere beluistering nieuwe dingen en accenten
in hoort. Het is eveneens waar dat de opeenvolging
van ruigere en rustige passages vaak willekeurig lijkt en mij
eerder gaat irriteren dan intrigeren. Ook dit album blijkt rond een
historisch thema te zijn geschreven maar zoals gezegd, door het
gebrek aan spanning in de muziek laat me dat koud.

Wat zeker niet koud is, is de productie. Hváll deed zelf de
opnames en daar mag hij wat mij betreft nog het meest trots op zijn
van alles wat met ‘V’ te maken heeft. Het album heeft een warme
klank en een goede mix die alle instrumenten mooi tot hun recht
laat komen. Had hij nu tijdens het arrangeren iets kritischer
geweest, dan ‘V’ was een topalbum. Nu is het, weeral,
middenmoot.

http://www.vreid.no/
http://www.myspace.com/thepitchblackbrigade/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 + 18 =