Arcade Fire :: 6 december 2010, The O2, Dublin

Naar België komt de groep op deze Europese tour niet, maar met The Suburbs heeft Arcade Fire wel dé plaat van het jaar gemaakt. Goddeau trakteerde zichzelf dan ook op een tripje naar Dublin om te zien wat we hier moeten missen. Een band in bloedvorm, zo bleek.

The Suburbs zette de band dan ook opnieuw stevig op de kaart, na twee jaar onder de radar te hebben geleefd. In die luwte zocht frontman Win Butler naar wat hij nog te vertellen had na het weliswaar euforisch onthaalde, maar niettemin nogal flauwe en duistere Neon Bible. Een terugkeer naar de voorsteden van zijn jeugd bracht raad. Met de dertig in zicht kijkt een mens al eens voorzichtig om in plaats van vooruit, en duikt voor het eerst ook wat nostalgie op. Zo werd The Suburbs — een collectie beklijvende, volwassen songs die muzikaal een breder terrein dan ooit tevoren bestrijken — een pakkende mijmering over de greep van de voorstad met zijn eentonige gelijkvormigheid en hoe je er nooit echt uit ontsnapt.

Nochtans is dat waar het concert van de groep in de Ierse O2-Arena — de eerste grote concertzaal die ons het gevoel geeft dat een massaconcert niet per se een rotslechte Sportpaleis- of Vorstervaring moet zijn — in het begin om draait: escapisme. “My mind is open wide and now I’m ready to start”, zingt Butler in het gelijknamige openingsnummer: je bent jong, je wil meer van het leven dan huisje-tuintje, je voelt de grote wereld wenken, en, zoals dat gaat als je zwaar door Bruce Springsteen bent beïnvloed, de auto is het ideale vluchtmiddel. “Keep The Car Running”, klinkt het dus meteen daarna, terwijl de band alle registers opentrekt.

Dit Arcade Fire staat op scherp, en dat wil zeggen dat een arsenaal aan instrumenten je gehoorgang aanvalt. Van gitaren en violen tot xylofoon en accordeon, de groep stapelt alles het liefst van al zonder onderscheid op elkaar. Het is die aanval, die kracht van acht mensen die samen met plezier muziek maken, die de groep zo uniek maakt. Het heeft iets van een gekke dorpsfanfare, maar dan wel één met een missie; een verhaal.

Dat van Régine Chassagne — Butlers vrouw en medesongschrijfster — en haar Haïtiaanse roots bijvoorbeeld, zoals ze die vanavond bezingt op “Haïti”, terwijl de billboard en de snelwegen in het geweldig belichte decor plots vol palmbomen staan. Het is niet altijd even toonvast, maar ze raakt daar mee weg, net als in het door Blondie geïnspireerde disconummer “Sprawl II (Mountains Beyond Mountains)”. En welke andere groep slaagt er in om een Franse kunststroming te linken aan de kolonisatie van het Caraïbische eiland en tegelijk een bijtende kritiek te geven op het soort indiekids dat Arcade Fire nogal hysterisch bejegent (“They will eat right out of your hand using great big words that they don’t understand”)? Butler doet het overtuigend in een bijtend “Rococo”, waarvan de sierlijke strijkers jammer genoeg niet helemaal doorkomen. Het doet gelukkig weinig af aan de impact van het nummer. Een wat kabbelend “The Well And The Lighthouse” doet even vrezen voor een dip in de set, maar daar kan geen sprake van zijn, zo wordt meteen duidelijk.

Met die bekende piano-intro barst immers publieksfavoriet “Neighborhood #1 (Tunnels)” open: een onstuitbaar opbouwend nummer over jeugdig smachten naar een toekomst. Het soort waarmee de groep zichzelf in 2005 meteen van de grote doorbraak verzekerde. Een zaal nokvol uitbundige Ieren heeft niet meer nodig en zingt met hart en ziel elk woord mee om er in de euforische “whoohoohoo”‘s nog een schepje bij te doen. Een woest rockend, punky “Month Of May” brengt het publiek aan de rand van het delirium.

Een finale? Daar spat “Neighborhood #3 (Power Out)” al open met de kracht van een kapotvallend glas waarvan de scherven alle richtingen uitvliegen. Multi-instrumentalist William Butler (broer van) stuitert ondertussen als vanouds het hele podium af terwijl hij een trommel bijna aan gruzelementen timmert. In de finale van het als vanouds aansluitende “Rebellion (Lies)” zal hij het ding helemaal slopen. Onnodig, maar qua overrompeling blijft dit nummer met zijn hamerende piano, groepszang en stuwende drums onovertroffen.

Daar kunnen geen bisnummers tegenop, denkt u? U heeft het mis: “Intervention” krijgt nog altijd niet helemaal de live-uitvoering die de plaatversie in de schaduw zet — alsof de orgelklanken uit een doosje niet opkunnen tegen het origineel gebruikte instrument — maar traditionele afsluiter “Wake Up” is de kers op een taart die al verrukkelijk was: opzwepend, massaal tot samenzang nopend; een orgelpunt.

Dit Arcade Fire heeft de herinnering aan de lauwe Neon Bible-periode volledig weggevaagd en is op het (voorlopige?) toppunt van zijn kunnen. Als er dan echt geen Belgisch zaaloptreden van af kan, wil Herman Schueremans dan alstublieft even zijn chequeboekje trekken? Er stond op de Werchteraffiche nog een headlinespot open, geloven we.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − vijftien =