Mountain Man :: Made The Harbor

In de eerste helft van de 18e eeuw was het leven niet bepaald een pretje te noemen, vooral niet voor hen die het rurale buitenleven verkozen boven de "luxe" van de stad. Een aantal onder hen verkoos bovendien een seminomadisch bestaan waarbij de jacht en handel in pelzen de voornaamste bron van inkomsten was.

Ondanks het geromantiseerde ideaalbeeld van eenzame, eervolle jager/natuurmens (genre James "Grizzly" Adams) leefden deze bergmensen wel degelijk in groep, al valt er niet aan te tornen dat het leven dat ze leidden vaak onnoemelijk hard was en de mannen allesbehalve koorknaapjes of ideale schoonzonen waren. Van een geheel andere orde is de groep die achter eenzelfde roepnaam schuilgaat. Mountain Man is namelijk geen door nostalgie geplaagde, bebaarde wildeman maar een meisjestrio dat zweert bij folksongs en samenzang.

Een voor de hand liggende vergelijking is Fleet Foxes (dan toch bebaarde mannen!), maar de sobere uitvoeringen op Made The Harbor hebben meer gemeen met Gillian Welch (zij het minder country en meer "appalachian folk" gericht), The Kossy Sisters (die u misschien kent van de O Brother, Where Art Thou? soundtrack), Laura Gibson (de spaarzame invulling) en zelfs Laïs (de meerstemmigheid) . Mountain Man kiest immers duidelijk voor een mix van Britse en appalachian folk waarbij de zang centraal staat en instrumenten slechts met mondjesmaat toegelaten worden in een ondersteunende rol.

Hierdoor krijgt Made The Harbor een tijdloze charme mee, die alle bedenkingen rond berekendheid en het doelbewust kiezen voor deze stijl ontkrachten. Nochtans blijft die twijfel tijdens "Buffalo" tastbaar aanwezig, niet in het minst omdat het nummer gelijkenissen vertoont met de (oude) CocoRosie. Het breekbare "Animal Tracks" ontwapent daarna echter zo snel dat al het scepticisme als sneeuw voor de zon verdwijnt en kritische bedenkingen bijna opgeborgen worden. Bijna, want de plaat vertoont wel degelijk enkele (verborgen) mankementen. De korte tijdsduur en de rustieke sfeer mogen bij een eerste, oppervlakkige luisterbeurt weliswaar kleine foutjes verdoezelen, ze kunnen vooralsnog niet verbergen dat het album in zijn geheel niet zo sterk is.

Op de songs zelf valt op zich weinig aan te merken, alleen tracht Mountain Man zo hard om een album met traditionals die het niet zijn te brengen, dat het opvalt. De schuifelende aanzetten, het niet altijd loepzuivere geluid en het soms op het randje van vals zingen, roepen een gezocht gevoel van nonchalance op dat maar net ontweken wordt dankzij bepaalde songs. Op een nummer als "How’m Doin’" valt nu eenmaal weinig af te dingen, zelfs al is het overduidelijk gestolen van oude countrygospel. Ook op "Sewee Sewee" en "Soft Skin" valt niets af te dwingen, dit zijn nummers die zonder meer af zijn.

Daar staat dan weer tegenover dat noch "Dog Song" noch "Arabella" echt een blijvende indruk nalaten en daarentegen veeleer als uitstekende kladjes klinken. Bij een nummer als "Babylon" (een pijnlijke parodie op koorgezang) slaat de weegschaal zelfs negatief door en komt de twijfel opnieuw de kop opsteken. Dat de balans finaal toch positief blijft, is te danken aan songs als "Loon Song", "Mouthwing" en "Honeybee" die netjes binnen de lijnen blijven en zo niet in het gevarenveld van de zelfbewuste pastiche terecht komen.

Op Made The Harbor loert hetzelfde gevaar om de hoek als bij het beeld dat men vormde rond de "mountain man": de van alle luxe en moderniteit ontdane levensstijl/geluid roept (ideaal)beelden van een ongerepte natuur en blanke ziel op, alleen is de realiteit een pak diffuser. Mountain Man heeft met Made The Harbor een charmante semi-a capella folkplaat uitgebracht, maar eenvoud is niet noodzakelijk gelijk met ongekende pracht. Soms is het niet meer dan een aangenaam gebeuren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 1 =