The Hold Steady :: Heaven Is Whenever

Bij het beluisteren van het volledige oeuvre valt pas op hoe coherent het verhaal van The Hold Steady wel is. Albums zijn niet zozeer aparte hoofdstukken als aan elkaar gelinkte, en uit elkaar voortvloeiende vertellingen; elk met een unieke emotionele impact en eigen intenties en confrontaties. Bulkten de eerste twee albums van de brallende naïviteit en ongedwongen pret, dan kregen Boys And Girls In America (2006) en Stay Positive (2008) ook weerhaakjes. Die lijn wordt nu verder gezet met Heaven Is Whenever, waarop de definitief volwassen incarnatie aan het woord komt.

Zo voelt het alleszins aan. Almost Killed Me en Separate Sunday, dat waren de platen waarop de briesende punks aan het woord waren. Het was een en al energie en ambitie en vitriool. De twee daaropvolgende albums zagen de band hoger reiken, z’n indierock nog meer inschakelen in een pseudo-Springsteen discours. Craig Finn en de zijnen leken daarbij deel uit te maken van de generaties wiens verhalen ze vertelden. Ze leken mee te schrijven aan het programma, het Grote Boek van toekomstige verwezenlijkingen en de pogingen om het alledaagse te verbouwen tot heroïsche miniaturen of een quasiliterair Zottenfeest dat ongedurig op zoek ging naar verschuivende perspectieven op een welbekend verhaal.

Stay Positive was een keerpunt: nog steeds geworteld in die indierock met stadionambities, maar voorzien van een donker filmpje, een waas van ongemak. De onschuld werd ook achterwege gelaten op Heaven Is Whenever. De eeuwig aan een bierpot vastgelinkte Finn, de schuimbekkende orator met een mening over alles, heeft nu duidelijk gas teruggenomen. Hij ratelt er nog steeds op los, maar het is met minder venijn en overmoed, met minder om zich heen schoppende intensiteit. The Hold Steady is nog steeds een rock-’n-roll-band, laat dat duidelijk zijn, maar het ongedurige jongehondenvuur behoort nu toe aan de generatie van The Gaslight Anthem.

Ook het vertrek van toetsenman Franz Nicolay heeft natuurlijk bijgedragen aan die licht bijgestuurde koers. Zijn bijdragen zorgden er vaak voor dat de sound van de band in het rood ging, haast corpulent werd. De songs, die nu iets meer beïnvloed zouden zijn door filmmuziek, klinken nu ook minder bombastisch en uitgelaten, met meer ruimte en evenwicht. Het is dan ook geen verrassing dat dit album, in tegenstelling tot zijn voorgangers, opent met een rootsy stuk muziek. Minder emotie, minder energie, dus ook minder kwaliteit? Wel ja, dit is de minst imposante plaat die de band al maakte, en het is er eentje zonder absolute wereldsongs. Al betekent dat niet dat het een opgave is om het album te beluisteren.

Wat opvalt is dat de band meer gebruikmaakt van backing vocals om de leegtes op te vullen: zowel in het fijn rockende "Soft In The Center" als "The Weekenders" zijn ze terug te vinden, al lijken ze ook de dynamiek te mankeren die songs als "Constructive Summer", "Same Kooks" en "Chips Ahoy!" zo bijzonder maakte. Die songs bulkten dan ook van de straffe verhalen en odes aan een Amerikaanse levensstijl, inclusief de clichés én pijnpunten. Was Finn ooit een meelallende verteller, dan observeert hij nu meer van op de zijlijn en biedt hij zijn advies aan. Ging het ervoor over een generatie, dan lijkt de band het in "Rock Problems" ("Is this what we wanted? Some major rock and roll problems") vooral over zichzelf te hebben.

The Hold Steady lijkt meer dan ooit stil te staan bij zijn eigen positie in het grotere geheel, wat niet enkel leidt tot een introvertere aanpak, maar ook verwijzingen met zich meebrengt die het verblijf op de grens tussen indie en major uitleggen. Er is niet enkel Cheap Trick ("Rock Problems"), maar ook Pavement en Hüsker Dü ("We Can Get Together"). Helaas krijgen die onderwerpen niet de songs die ze verdienen, want "Rock Problems" voelt aan als tweedehandse George Satellites en "We Can Get Together" heeft buiten die referenties weinig memorabels te melden. Dan liever de powerpop van "Hurricane J", dat een écht eerbetoon is aan Hüsker Dü, door uit te pakken met een refrein dat zo op Flip Your Wig of Candy Apple Grey had gekund.

De plaat makt echter pas indruk naar het einde toe: "Barely Breathing" is hier een van de kleurrijke songs: roots, rock en een uit een musical weggelopen break met klarinetsolo, en dat in een song die onder meer over hardcore-icoon Ray Cappo handelt. Heel even wordt de melancholie terzijde geschoven voor "Our Whole Lives", dat All-American cultuur en schuldbesef nog eens samen brengt in een knallende rocksong. Meest verrassend is echter het haast elegische einde, "A Slight Comfort" dat al het voorgaande ongemak, het geloof en de observaties samenbalt in een (a-typische) ingehouden song, die z’n grandeur vooral put uit echoënde zang en geleidelijk opbouwende epiek. En zo is er toch weer even sprake van grootsheid.

Wie The Hold Steady leert kennen met Heaven Is Whenever zal zich misschien afvragen wat er in hemelsnaam zo bijzonder aan is. Het is dan ook een band die niet afgerekend mag worden op een single of momentopname. Zoals Stay Positive enkele kanttekeningen maakt bij opener Boys And Girls In America, zo ook neemt Heaven Is Whenever verder afscheid van de jeugdige onstuimigheid van vroeger. Dat heeft deze keer niet geleid tot een vijfde knaller, al blijft het een boeiende schakel in een parcours dat gerust nog enkele vervolgen verdragen kan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × een =