Irakere :: Cuba Libre

Invloedrijke Cubaanse band neemt door Japanner in 1980 gecomponeerde plaat op en brengt die enkel uit in Japan in beperkte oplage. Het klinkt als een curiosum waar dertig jaar later slechts weinig mensen hun slaap voor zouden laten.

Cuba Libre is net dat: een zonnig album vol smeuïge latin jazz dat verdwaald is geraakt in de plooien van de geschiedenis en nu opnieuw werd opgediept door Joe Davis. Nochtans is Irakere geen onbekend latin bandje, maar na Buena Vista Social Club zowat het bekendste Cubaans muzikaal exportproduct. Dat mag u zelfs letterlijk nemen, want doorheen de jaren zeventig en tachtig emigreerde het gros van de band, waaronder ook spilfiguren Chucho Valdes (keyboards) en Arturo Sandoval (trompet), naar de Verenigde Staten, waar ze ook een aantal Grammy’s in de wacht sleepten.

In 1980 trokken ze dus naar Tokyo om er een plaat op te nemen. Aangezien Cuba Libre vooralsnog enkel daar werd uitgebracht, is het al jaren een collector’s item, waarvoor behoorlijk wat geld neergeteld wordt op de tweedehandsmarkt. Natuurlijk is het niet automatisch zo dat een zeldzame plaat ook goed is, maar over Cuba Libre wordt toch meestal een positief verhaal opgehangen. De band zou hier namelijk onder leiding van de Japanse producer/componist/arrangeur Chikara Ueda een perfecte fusion bereikt hebben tussen Amerikaanse jazz en Cubaanse genres als chachacha en mambo.

Maar leeft Cuba Libre ook op tegen die reputatie? We kunnen daar positief op antwoorden als we in het achterhoofd houden dat dit een plaat uit 1980 is. Hoewel de band vooral gebruik maakt van instrumenten die ook vandaag nog lustig gehanteerd worden in (latin) jazz, is de manier van spelen wel zeer typisch voor eighties fusion, wat betekent dat het er bij momenten ronduit cheesy aan toe gaat. Bovendien balanceert de muziek wel heel wankel ergens tussen smaakvolle latin en inwisselbare lounge. Als u uw jazz graag vooruitstrevend en ontoegankelijk hebt, blijft u dan ook best ver weg van Cuba Libre.

Nochtans begint de plaat best interessant met de gevarieerde titeltrack, die aanvangt met atmosferisch pianogepingel (na een bombastische intro) dat zonder veel meer op een plaat van Keith Jarett had kunnen staan. Na de eerste twee minuten hervalt de band in zijn typische sound, met een krachtig sturende ritmesectie, catchy blazers en tal van zonnige melodieën, wat we bijvoorbeeld ook horen bij tijdgenoot Deodato. Het enige wat hen daarbij redt van het etiket lounge of, god beware, cocktailjazz (de albumtitel hebben ze op dat vlak al niet echt mee), is het feit dat we hier te maken hebben met zeer getalenteerde muzikanten die in de vijf tracks van Cuba Libre een kwalitatief geheel weten af te leveren, met vooral opvallend interessante solo’s.

Bovendien dienen we op te merken dat de muziek die Irakere hier maakt als blauwdruk gediend heeft voor verscheidene lounge bands, en pas later verworden is tot smakeloze yuppiejazz. Cuba Libre is absoluut geen must have, en zal voor velen zelfs eerder een guilty pleasure zijn, maar past wel perfect bij het heerlijke zomerweer waar we de afgelopen tijd van konden genieten, en kan in die hoedanigheid zonder scrupules uw volgend tuinfeest opfleuren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien − drie =