Thee Silver Mt. Zion Memorial Orchestra :: 2 april 2010, Botanique

Goedgeluimd en dollend kwam Silver Mt. Zion in de Botanique zijn nieuwste plaat Kollaps Tradixionales voorstellen. Het is ooit anders geweest met deze anders zo doodserieuze groep. Dit was een bij momenten dansbaar concert dat zichzelf nooit verloor in zwaarmoedigheid.

Dit is vrijdag, en dan wil zelfs de meest ideologisch gedreven ex-postrocker al eens wat lol trappen. Voor het eerst zien we dus een Silver Mt. Zionconcert dat zich in een jolige sfeer afspeelt. Tussen nummers wordt minutenlang geconverseerd met het publiek (“Wat zeg je? ‘In the tourbus, between cities’? Da’s het beste dat een publiek ooit al tegen mij zei!”), meermaals verliest frontman Efrim Menuck zich in meanderende redeneringen, tot zelfs het publiek hem vraagt waar hij het in godsnaam over heeft en de ideoloog even terug is: “Dat we onze geschiedenis volledig aan het digitaliseren zijn, en we die binnenkort dus niet meer zullen kunnen raadplegen zonder de juiste machine. Erg vervelend voor toekomstige generaties.”

De man heeft een punt, zeker, maar zijn we hier niet eerder voor muziek? Toch wel, en af en toe beseft Menuck dat. Dan gaat het plots van “The name of this song is…” en zijn we voor minstens een kwartier vertrokken. Want zo gaat dat bij A Silver Mt. Zion; als het niet op zijn minst vijftien minuten duurt, is het maar half werk. Al zijn er wel degelijk dingen veranderd sinds de laatste keren dat we deze groep aan het werk zagen. Dat bewijst de scheurende intro waarmee “I Built Myself A Metal Bird” dan toch begint.

Dit soort scheurende gitaar is zeldzaam in het oeuvre van A Silver Mt. Zion, en daarenboven scandeert de groep haar tekst ook met volle borst. Dit is lichtjaren verwijderd van de bijna elegische kamer-postrock waarmee de groep zich van Godspeed You! Black Emperor afsplitste. En toch ook weer niet: het spel met de dynamiek en de manier waarop de strijkers hun rol spelen hebben nog veel weg van die eerdere tendenzen, maar de dansende bas en de forse gitaar sturen het nummer ongenadig recht vooruit, naar die finale met dat aanstekelijke “Dance, motherfuckers!”. Weergaloos nummer, ijzersterk begin.

Kan de groep dit niveau volhouden? Na opnieuw een eindeloze hoop gelul en flauwiteiten met het publiek, komt het trage “There’s A Light” — met zijn eenzame bluesgitaarintro vol echo — slechts moeizaam op gang. Bloedmooie strijkers laten het nummer echter knap open bloeien. Minder overtuigend is een stevig hertimmerd — we horen een volledig nieuw middenstuk — “God Bless Our Dead Marines” van op prijsbeest Horses In The Sky; nergens lijken de verschillende delen goed op elkaar in te haken, nergens vloeit het echt helemaal. En dat maakt de oorspronkelijke versie net zo sterk.

Met het epische “‘Piphany Rambler” en het erg op een drone drijvende “1,000,000 Died To Make This Sound” wordt echter een knap laatste half uur aan de set geweven. In dat eerste nummer horen we hoe de op- en neergaande strijkers telkens weer Menucks zanglijn van een ijzingwekkend mooie tegenmelodie voorzien. De monotonie van het slotnummer wordt steeds heviger, alsof de nagel almaar dieper moet geslagen worden.

Ten slotte volgt nog maar eens onzin — een flard Grease, als bewijs dat Menuck echt niets kan coveren — en als toegift “Microphones In The Trees”, al jarenlang de vaste afsluiter en naar ons aanvoelen vandaag nog net een tikje heviger, nog dreunender dan gewoonlijk. Een stevig orgelpunt van een concert dat door de oeverloze intermezzo’s dan wel aan vaart ontbrak, maar bij momenten met veel precisie doel trof. Als postrock al jaren dood en begraven was, dan was dit met veel voldoening dansen op het graf.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − veertien =