Faith No More :: Leven en werk van Patton & Co.

Faith No More, meesters van de smakeloosheid en zestien jaar lang een buitengewoon ongewone, kleurrijke, overrompelende, messcherpe, inventieve en af en toe bombastische band wordt een alternatieve metalband genoemd: een potpourri van heavy metal, funk, prog rock, hip hop, hardcore, trash metal en jazz. Een groep die tijdens zijn bestaan tot spijt van de maatpakken in de muziekbusiness genreoverschrijdende muziek bleef maken. Volledigheid valt onmogelijk na te streven, maar aan de hand van een stukje muziekgeschiedenis en de reguliere albums met hun amalgaam van muziekgenres willen we onder de loep nemen welke groepen FNM muzikaal hebben beïnvloed en voor wie ze zelf een inspiratiebron zijn geweest.

Rocksterren, het zijn gepatenteerde leugenaars. Tot voor kort zei Mike Patton, frontman van het in 1998 ter ziele gegane FNM, dat we tot sint-jutmis konden wachten op een reünie. Op 25 februari 2009 werd op een communiqué het nieuws verspreid dat de band zou optreden met de leden die ook het laatste album voor hun rekening namen. Gitarist Jim Martin mag dus thuisblijven, Jon Hudson vult de leemte op.

De reünietour ging van start op 10 juni in de Londense Brixton Academy, waar FNM een twintigtal jaar eerder het succulente live album Live At The Brixton Academy opnam. Op 20 augustus wordt van hen als headliner verwacht dat ze de wei van Pukkelpop in lichterlaaie zetten. Of er daarna een nieuw studioalbum volgt, is nog koffiedik kijken: “We can only hope that the experience of playing together again will yield results erratic and unpredictable enough to live up to the legacy of FNM. Who knows where this will end or what it will bring up… only the future knows. But we are about to find out!” dixit de FNM-website.

Het zijn nochtans geen gemakkelijke jaren geweest: de legendarische ruzies in deze unieke band behelsden meer dan “creatieve onenigheid”. De weerspannige lastposten werkten elkaar meer dan behoorlijk op de zenuwen (zelfs in elkaars nabijheid tijdens interviews) en moesten vaak op de tippen van hun tenen lopen. Er is sprake van sadistische practical jokes waarbij vooral de homoseksuele toetsenist Roddy Bottum de kop van jut was. De Britse muziekkrant Melody Maker sprak zelfs van “pathological hatred”. Daarmee vergeleken zijn de Oasis-broertjes een goedgemutst theekransje.

Maar hoe begon het allemaal? In de Bay Area van San Francisco, een vruchtbare, grootstedelijke agglomeratie kwam de Bay Area Music Scene tot volle bloei. Hippie-icoon The Grateful Dead werd er in 1965 opgericht, vanaf de jaren zeventig ontstond een florissante punkscene (van Dead Kennedys tot Green Day), en een golf van trash metal en death metal (met pioniers Possessed) spoelde er aan. De regio kende een eigen hiphopcultuur: de hyphy-beweging (spreek uit als HIGH-fee).

Ook de alternatieve metal van FNM zag er het levenslicht. Gooi in 1981 een bassist ( Billy Gould), een drummer (Mike Bordin) en een keyboardspeler (Roddy Bottum) en nog wat ander schoon volk in een blender en wat krijgt men: de aanzet tot een band die met een geheel eigen toets de muziekwereld zal verbazen, met de nogal lullige naam “Faith No Man”. De ‘man’ in kwestie was zanger-gitarist Mike Morris. Hij schreef de meeste songs in de trant van The Cure en PiL en stond bekend om zijn tirades à la Johnny Rotten. De andere bandleden kwamen echter algauw tot het besluit dat het hun beter af ging zonder Mike ‘The Man’ Morris en ze stapten uit de band. De afvalligen vormden een nieuwe formatie die ze met een kwinkslag “Faith No More” doopten, aangezien The Man er niet meer bij was.
Zangers kwamen en gingen, zelfs een ongeleid projectiel als Courtney Love stond een tijdje in voor de vocals. De groep kreeg pas echt vorm toen gitarist Jim Martin en zanger Chuck Mosely de gelederen vervoegden.

Vaste waarden en FNM-oprichters Gould en Bottum zijn Killing Joke- en new wave-adepten. Aardig weetje: na het ontslag van Jim Martin in 1993 was Geordie Walker, bekend om zijn intrigerende slijpzaag-gitaargeluid bij de gezaghebbende postpunkband Killing Joke een tijdje als vervanger in de running. Drumbeest Bordin staat bekend om zijn stuwend, tribalachtig drumwerk. Jim Martins gitaarspel is doorspekt met Led Zeppelin, Pink Floyd en Tomi Iommi-invloeden. Andere inspiratiebronnen waren naar eigen zeggen Black Flag, Red Kross, Devo, Tom Jones en later Ween.

Het rommelige debuut We Care A Lot (1985) is duidelijk schatplichtig aan John Lydon’s Public Image Limited. Ook reminiscenties naar vroege Red Hot Chili Peppers zijn niet te ontkennen. De zangkwaliteiten van Mosley zijn eerder gelimiteerd maar het album zelf vertoont tekenen van het grensoverschrijdende (bijvoorbeeld een woeste instrumental “Pills for Breakfast” en het dance-achtige nummer “Arabian Disco”) van FNM en de gekte en de dreigende sfeer doen hier al hun intrede.
Een kloeke bas en een metal gitaar worden bijgestaan door uitwaaierende keyboards en stevige drums, de melodieën en de riffs zijn onweerstaanbaar (“We Care A Lot” met refrein “It’s A Dirty Job But Someone’s Gotta Do It”). Living Colour, Fishbone, Rage Against the Machine, Primus, Jane’s Addiction en andere funk metalbands hebben alleszins een deel van de mosterd bij dit album gehaald.
Het is metal, aangelengd met funk, postpunk en prog. Hun beginsound is onmiskenbaar beïnvloed door Metallica, Eric Burdon (The Animals) en Frank Zappa.

Er kan al voorzichtig van cross-over gesproken worden: de term is heel breed in de muziekwereld, maar kan worden gebruikt voor bands die zich laafden aan een mix van funk, rap, rock, metal en/of punk. Bands als FNM, Red Hot Chili Peppers, Primus and RATM, D.R.I. of Municipal Waste worden vaak in dit cross-overhokje geduwd.
En in Utrecht, of all places, werd eind 1986 het veelzijdige Urban Dance Squad boven de doopvont gehouden.

Introduce Yourself (1987) bevat volop deze cross-over ingrediënten. De plaat wordt eigenlijk door velen als het eerste album beschouwd (We Care a Lot was moeilijk verkrijgbaar). Moseley is nog steeds weinig toonvast maar heeft attitude en de nummers hebben aardige melodieën en hooks die lang in het hoofd blijven spoken. Voor het eerst lijken de rap- en metalelementen een bevredigende samenhang te vertonen. De gitaren neigen vaak naar vroege Metallica (Jim Martin zat samen met Cliff Burton, het veel te vroeg overleden baswonder van Metallica op de schoolbanken) maar ook Afrikaanse oerritmes en gezwollen synths smukken het album op.
Na de tweede plaat en de daaropvolgende toer kreeg FNM de nodige aandacht in Europa maar de band bleef een duiventil tot kierewiete Mosely ontslagen werd: hij zoop als een Zwitser, was een ruziestoker en werd vocaal te licht bevonden. Kortom, er was geen land mee te bezeilen.

Gitarist ‘Big Sick Ugly’ Jim Martin, reverse mohawk kapsel, een baard als een rododendron en drager van opzichtige zonnebrillen, kortom de lelijkste snarenplukker ten westen van Tjenne Berghmans, kwam met een zekere Mike Patton aankakken.
De toen 21-jarige Patton een vocaal genie noemen is een knoert van een understatement:
Zijn zangtalent lijkt achteraf beschouwd de redding voor FNM. Patton kan alles aan: diepe basstem, bijna vrouwelijke soulstem, hij kan janken als een coyote, grunten, chanten, beatboxen, scatten, en is een uiterst getalenteerd rapper. Bijzonder leuk is wanneer het multitalent klinkt alsof de gezamenlijke geesten van knettergekke sociopaten en seriemoordenaars als Caligula, Jack The Ripper of Jeffrey Dahmer in hem gevaren zijn. Hij kan croonen als een psychopathische Burt Bacharach, bulderen als een dondergod en hyena’s de daver op het lijf jagen. Medelid Bottum typeerde Patton ooit als ”a pair of lungs on legs”. Thom Yorke is als Patton-fan uit de kast gekomen.
Ook songschrijven bleek hem met de moedermelk meegegeven te zijn; in amper twee weken schreef hij alle teksten voor het derde album The Real Thing (1989).
Het zal voor eeuwig een mysterie blijven hoe de beginalbums zouden hebben geklonken, had Mike Patton aan het vocale roer gestaan.

Het geestdriftige album The Real Thing ging vier miljoen keer over de toonbank (de verkoopcijfers zouden nooit meer gehaald worden), de fans en recensenten wereldwijd waren door het dolle heen. “Epic” werd op MTV grijsgedraaid en FNM begon als goed geoliede podiumact furore te maken.
De songs op The Real Thing zijn dubbel gespierd en Jim Martin kan zich met zijn Black Sabbath-fetisj (“War Pigs” wordt gecoverd) ten volle uitleven wat in een verpletterende gitaarsound resulteert . “It’s not quite early Brian Eno joins Led Zeppelin and Funkadelic, but it’s closer than might be thought” zoals Allmusic het uitdrukt.
Het loeiende “From Out of Nowhere”, het door een geweldige bas voortgestuwde “Falling To Pieces” zijn hoogstandjes en “Epic” — met weergaloos refrein “You Want It All But You Can’t Have It — was een trendsetter, de melange van metal en rap knipoogt naar rap metal, een genre waarmee hiphopbands als Beastie Boys en Run DMC en latere Cypress Hill maar ook zwarte rockbands als 24-7 Spyz volop experimenteerden. Interessant zijn in dit opzicht de mix van trash metal en hiphop die de samenwerking tussen Anthrax en Public Enemy op “Bring Tha Noise” opleverde, de exploten van Ice-T met Body Count of de soundtrack voor de film “Judgment Night” (1993), waarop de hotste rock- en rapbands van dat moment de handen in elkaar slaan. FNM levert een bijdrage met de hiphoppers van Boo-Yaaa T.R.I.B.E.

Rap rock en rap metal zouden later onbedoeld de voedingsbodem voor nu metal worden, FNM is bijgevolg medeverantwoordelijk voor de sound van Deftones en Korn, maar ook voor muzikale gruwel als System Of A Down, Disturbed, Staind of Limp Bizkit met de onuitstaanbare Fred Durst; bands die op de mestvaalt van de muziekgeschiedenis thuishoren.
Officieel begon dit subgenre van heavy metal met een demo “Neidermeyer’s Mind” van Korn, 1993). De numetal-band kopieerde gretig de akkoorden van Trey Spruance, gitarist bij Mr Bungle (met Mike Patton als lead) en de band was niet te beroerd om naast de avant garde metal van Mr Bungle, FNM als voornaamste invloed te noemen. De song “Epic” maakte dus leerschool en qua vocalen hebben vele nu metal-zangers toegegeven goed naar FNM-boegbeeld Patton en Maynard James Keenan (Tool) geluisterd te hebben.

FNM gaat in experimentele overdrive op het eclectische album Angel Dust (1992), slang voor PCP, één van de gevaarlijkste hallucinogenen in omloop. Patton mocht nu voor het eerst zijn zegje doen over de sound van de plaat. Na The Real Thing had de groep anderhalf jaar vakantie genomen maar intussen maakte Patton met zijn Mr Bungle en John Zorn als producer een eerste plaat waarop zonder blikken of blozen van het ene naar het andere genre geswitcht werd. Dit eigenzinnige project valt moeilijk onder één noemer te vatten: een surrealistische funkgroep met death metal- en tekenfilminvloeden of avantgarde metalband is misschien wel de meest accurate benaming en deze opstoot van creativiteit smokkelde hij ook op de composities van Angel Dust binnen. Het werd, tot afgrijnzen van Jim Martin, geen doorslagje van The Real Thing.
Martin had opnieuw voor enkele songs (“Caffeine”) zijn Black Sabbath-collectie afgestoft, maar het werd een complexe, overdonderende, vernieuwende en menig luisteraar in verwarring brengende mix van lounge jazz, power pop, dance, country en industrial grindcore. Kerrang! nam Angel Dust in haar “50 most influential albums-lijst” op. Misschien wat overmoedig, maar het album heeft samen met Nevermind en The Black Album vorm gegeven aan metal en rockmuziek in de jaren negentig en ook hier hebben vele vermaledijde nu metal-bands de vruchten van geplukt.
Het nihilistische, schizofrene en paranoïde huzarenstuk vol zelfhaat en boosaardigheid — de meeste songs zijn onheilspellender dan een Edgar Allan Poe-verhaal — en het toeren in Europa met Guns ‘n’ Roses (een paranoïde egotripper als Axl Rose werd echter door de FNM-leden hartstochtelijk verafschuwd) en Soundgarden, maakten FNM immens populair.
Een tijdje later werd gitarist Martin bedankt voor bewezen diensten en de laan uitgestuurd.

Het recht voor de raapse King For A Day, Fool For A Lifetime (1995) was een minder experimenteel album, maar met toch een vloed aan muzikale genres: onversneden powerpop (“Digging The Grave”), grunge (“Ricochet”), hondsbrutale speedmetal (“Cuckoo For Caca”), country rock (“Take This Bottle”), bossa nova, gospel, funk en jazzy, op Steely Dan-leest geschoeide pop (“Evidence”). Opvallend is de minder sterke bijdrage van funk, seventies soul en keyboards, maar de plaat blijft een ietwat miskend meesterwerkje.

Het ironisch getitelde Album Of The Year (1997) was eigenlijk al klaar in 1996, maar op twee nummers na, stemde niks de groep tevreden en duurde het nog een jaar voor het album verscheen. Het sluitstuk van FNM werd matig positief onthaald en enkele bandleden zelf beweerden dat het vet van de soep was. “Our next album would have been a piece of shit” voegde Patton er onomwonden aan toe. Er dient genuanceerd te worden: het is minder briljant dan zijn drie voorgangers, maar biedt zeker muzikale krachttoeren: het stuitert van een loungy ballade (“She Loves Me Not”) naar nummers met Portishead-toets (“Stripsearch”) tot driftige rocknummers (“Collision”), boogie en Arabische klanken.

Groepen als Metallica, Alice in Chains, Anthrax en Guns N’ Roses of terringherriebands als The Dillinger Escape Plan en The Mars Volta beschouwen FNM als een van hun favoriete formaties, maar kort na een optreden in Lissabon in april 1998 luidde de sarcastische slotboodschap : “After 15 long and fruitful years, Faith No More have decided to put an end to speculation regarding their imminent break up… by breaking up. The decision among the members is mutual, and there will be no pointing of fingers, no naming of names, other than stating, for the record, that “Puffy” (Roddy Bottum, n.v.d.r.) started it”.
De bandleden stoven alle richtingen uit, Patton ging tekeer in talloze, hermetische projecten, maar zijn eerste twee Tomahawk-platen benaderen het best de smaak van de FNM-fan.

Naar aanleiding van de reünietoer werd een nieuwe compilatieplaat met de lacherige titel The Very Best Definitive Ultimate Greatest Hits Collection uitgebracht. In het geval van FNM is de aanschaf van een best-of album voor watjes: ofwel koopt u alle albums (de eerste twee zijn interessant, de volgende vier tijdloos) ofwel wordt u lid van een breiclub, een tussenweg is er niet. Het zwaartepunt ligt bij Angel Dust (8 van de 18 songs), de bonusschijf met b-kantjes en rariteiten is boeiend. Daarop staan de lekkerste brokjes vooraan, een curiosum als het Duitstalige “Das Schutzenfest” is maar één keer leuk. Moge hun optreden op Belgische bodem großartig worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 9 =