Lotus Plaza :: The Floodlight Collective

Hoewel hij al een hele tijd geen platen meer geproducet heeft, was Phil Spector nog nooit zo alomtegenwoordig, en dat heeft niet eens iets te maken met het proces rond de moord op actrice Lana Turner. Neen, het is de typische Spectorsound die steevast terugkeert in bio’s en recensies allerhande, vrijwel altijd samen met de luidere variant zoals The Jesus And Mary Chain hem speelde. Dreigt de overkill, of is er toch nog een bescheiden plekje vrij?

Op The Floodlight Collective refereert ook Lotus Plaza immers nadrukkelijk aan Spector en aanverwanten. Wanneer in opener "Red Oak Way" na een korte drumintro de echoënde gitaren invallen, weet je meteen hoe laat het is. Tegelijk valt echter ook de poppy, bijna lieflijke, klank van de plaat op. Waar A Place To Bury Strangers de term "wall of sound" wel heel erg letterlijk neemt en The Pains Of Being Pure At Heart toch een stuk meer rockt, kiest Lotus Plaza resoluut voor iets wat bijna toegankelijke pop genoemd kan worden.

Niet dat Lotus Plaza daarmee hitparadevoer heeft bijeengeschreven — het wazige geluid zou behoorlijk misstaan tussen de Natalia’s en Lady Gaga’s van deze wereld — maar "Quicksand" heeft niettemin het ritme waarvoor The Supremes of Martha Reeves met plezier zouden hebben getekend, al ligt dat dan verborgen onder een dikke laag mist. In de zeldzame momenten dat die toch even optrekt, wordt een prachtige sixties gitaarsolo onthuld — en horen we daar geen oeh-oeh-koortje voorbijkomen? En hoewel ook de jankende gitaren van "What Grows?” samen met de nauwelijks verstaanbare zang haast verdrinken in de effectenpoel, wordt de plaat nooit ondoordringbaar: de warme, melancholische tinten van de albumcover sijpelen ook door in de nummers.

Behalve Phil Spector doet Lotus Plaza nog het meest denken aan Deerhunter, en dat is geen toeval: Lotus Plaza is het eenmansproject van Deerhunter-gitarist Locket Pundt. Hij mag dan een verlegen, onopvallend figuur zijn die liever achter de schermen blijft, dankzij The Floodlight Collective blijkt wel dat Pundt verantwoordelijk is voor het nieuwe geluid van de band op Microcastle. De uitgesponnen nummers, de bijna zweverige sound, het shoegazesfeertje, ze waren allemaal al aanwezig bij Deerhunter, maar pas bij Lotus Plaza lijken de puzzelstukjes écht in elkaar te passen.

Helaas verliest Pundt zich af en toe maar al te graag in eindeloos, nergens heengaand gefröbel. Neem nu "These Years", dat haast naadloos voortvloeit uit de outro van "Quicksand": het nummer heeft de lengte van een ideale popsong, maar kon er niet verder van verwijderd zijn. Dit zweverige tussendoortje heeft weinig weg van een echt nummer, en mocht het nog iets langer geduurd hebben, dan was het album al ingezakt nog voor het goed en wel begonnen was.

Er volgt echter nog meer dan voldoende moois om The Floodlight Collective te redden: het door de drums van Deerhunterfrontman Bradford Cox (hij mocht niet ontbreken) voortgedreven "Different Mirrors", "Sunday Night", dat van een knisperende beat voorzien is die even doet denken aan Four Tet en het zeven minuten lange "Antoine", het zijn allemaal kleine, door nostalgische ruis omhulde hoogtepunten die — ondanks zwakkere momenten, zoals het titelnummer — van The Floodlight Collective een bijna ouderwets dromerig pareltje maken.

Niets nieuws onder de zon dus op The Floodlight Collective, maar dat geeft niet: Locket Pundt zoekt zijn eigen weg in de wereld van reverb, feedback en opgewaardeerde sixtiesgeluiden, en als alle andere Spectorfanaten een klein beetje opschuiven, kan Lotus Plaza er nog net bij.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × een =