Deerhunter :: Monomania

Op een dag google je je eigen band en sta je overal gecatalogeerd onder ‘dreampop’ en ‘neopsychedelische indierock’. Als je dan Bradford Cox heet, dan weet je al hoe de volgende plaat van Deerhunter niet zal gaan klinken. Maar hoe klinkt ze dan wel? Die vraag wordt nooit echt beantwoord op Monomania, tenzij experimentele neopunkchansons nu opeens ‘een ding’ zijn.

Vrijheid is een noodzakelijk ingrediënt voor elke plaat. Zoals elke mens voor 70% uit Spa blauw bestaat, moet een album uit een flinke brok tegendraadsheid bestaan om tijdloos te klinken. In welke mate gunt een artiest zichzelf de vrijheid om intuïtief te handelen, vrij te experimenteren en eventueel te falen? Wie durft dat nog consequent te doen?

Deerhunter heten ze en ze gooiden de voorbije winter Monomania op band. Het nieuwe album klinkt als een grillige momentopname, volledig in het verlengde van de stream-of-conciousness schrijftechniek van opperhunter Bradford Cox. Het geluid is veel heterogener dan op Halcyon Digest en Microcastle en doet spontaan denken aan een quote van Cox over Atlas Sound, zijn andere project. Hij had vorig jaar in Texas een bivakmuts opgezet en een zeer lijpe versie van The Knacks’ “My Sharona” gespeeld en zei daarover achteraf: “It’s just some little punk show. It’s irritating to have people find your behavior interesting when you’re not doing anything except being yourself. I’m just in a dark zone, searching for a little humor.”

“Een kleine punkshow die zichzelf niet al te serieus neemt”, dat is dus ook de nieuwe Deerhunter in een halve tweet. Openers “Neon Junkyard” en vooral “Leather Jackett II” klinken als CBGB’s op ecstasy en The Gun Club in high definition; stekelige rock op kletsnatte delay. Hier verhoudt Monomania zich tot Halcyon Digest zoals In Utero bij Nevermind hoort. Een duidelijke breuk met de succesformule. Alles klinkt wat onbeschaafder, maar een vaag verband met de voorganger blijft bestaan. Het Deerhunter-album waar deze release het dichtst bij aanleunt, is de losse noisetrip Weird Era Cont. uit 2008.

Net wanneer je begint te wennen aan dat punky neefje van Weird Era Cont. komt één nummer van gitarist Lockett Pundt als een heldere hemel alle donderslagen verjagen.
“The Missing” — Pundts enige bijdrage op Monomania — klinkt als een lauw overschotje van Lotus Plaza en de enige synthesizer die Halcyon Digest overleefde, blinkt nu als strooizout in de lentezon. Overbodig en gedateerd.

Cox neemt een tweede start en nu krijgen we Deerhunter als verknipt garagebandje gepresenteerd. Het olijke “Pensacola” komt met een glunderend steelgitaartje en “Dream Captain” is de allervrolijkste song ter wereld voor al wie de Engelse taal niet volledig onder de knie heeft. Al de rest blijft achter met vragen en bewondering voor Cox’ openheid. Het lijkt bijna voyeuristisch om die lyrics hier zomaar te copy-pasten, zoveel godverlatenheid dat die gast doormaakt… Het lijkt ook soms op een echte noodkreet omdat zijn zang zo ver vooraan in de mix staat. Gooi dus op 21 mei gerust een vliegertje richting podium van de AB met de boodschap: “Beste Brad, het is oké om even pauze te nemen van uw muzikale monomanie en te gaan poepen op Ibiza.” Of zoiets. Monomania is ongeveer het achtste (!) album dat de man voor ons heeft gemaakt sinds 2007. Tonnen respect en dankbaarheid, maar toch ook wat bezorgdheid… maar misschien nemen wij nu ‘de kleine punkshow’ te serieus.

Zijn we nu dan eindelijk vertrokken? Ah nee, kapitein Cox geeft nog eens een draai aan het roer. Monomania nummer 3 dus: “THM” en “Sleepwalking” proberen op een white man’s groove met een halfbakken chanson weg te komen, maar deze tracks zijn in hetzelfde bedje ziek als de laatste Atlas Sound: ideeën voor songs in plaats van uitgewerkte nummers, demo’s die nog wat extra schrijfwerk konden gebruiken. Bij deze lichtinval heeft de Monet-aanpak duidelijk niet gewerkt. Het saaiste segment van de plaat.

Tijdens Rocky IV, oftewel het laatste hoofdstuk van Monomania, herpakt het album zich nog een laatste keer en begrijpen we ook ineens waarom er in de persmededeling zoveel met de term ‘avant-garde’ wordt gekoketteerd. Titeltrack “Monomania” wordt versterkt door soundscapes van krijsende motoren en krijgt daardoor een extra dimensie. Het is een hoogtepunt dat als Girls Against Boys op een krakende rollercoaster voorbij dendert. Thematisch rijdt het nummer van een gebroken hart recht naar de vertrouwde eindhalte: terug naar de muziek. Daar ligt de enige verzachting van de pijn en het is de dunne navelstreng die de muzikant nog verbindt met de rest van de wereld. “Mono/Monomania!”

Op “Nitebike” horen we een ander probeersel: Cox die moederziel alleen een improvisatie tot een nummer probeert om te buigen. Met momenten onbeluisterbaar, want op het randje van kattengejank? Check. Hartverscheurend mooi? Check.

Na vier verschillende Monomania’s te hebben gehoord, is duidelijk dat Deerhunter geen zin meer had in een afgelijnd popalbum. Het probleem is dat een overdosis Lotus Plaza en Atlas Sound een eigen identiteit van het album in de weg staan. Daardoor werd Monomania een goeie overgangsplaat die iets te weinig bij het nekvel grijpt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − twintig =