TW Classic 2009 :: Een smeltende praline in een doosje. Met een strik.

We schrijven geschiedenis: goddeau liep rond op TW Classic en kwam tevreden terug. Staakt uw gedaas, vrienden, ook wij smullen van goeie pop en met een headliner als Depeche Mode mogen ze ons elk jaar lastig komen vallen.

“Ha, een eightiesrevival, dan kan ook ik terug naar de roots”. Dat moet Herman Schueremans enkele jaren terug gedacht hebben toen hij besloot om met TW Classic nog eens de oude succesformule boven te halen: één dag, één podium, een handvol groepen. En met telkens wat vergane glories uit dat decennium hoog op de affiche, was dat niets waar we ons bij goddeau zorgen over moesten maken. Tot daar dit jaar plots allesbehalve een rottend lijk de topspot mocht innemen en daarvoor een paar van de aangenaamste middle of the roadacts van het moment present gaven. En zo mochten ook uw dienaars kennismaken met het bespottelijke fenomeen golden circle en golfclubsfeertje dat er hangt. Een verslag van op de echte eerste rij, op twintig meter van het podium.

Opwarmen met een singersongwriter van eigen bodem, dat gaat er altijd in, zo dachten we, maar Tom Helsen heeft het onder een warm middagzonnetje moeilijk om wat pit in zijn set te krijgen. Niet dat hij niet probeert met melige humor in de bindteksten, of tijdens het Regi-duet “Night And Day” met de handjes van zijn bandleden. Het probleem is echter dat zijn meeste songs net dat tikje extra missen; een echt catchy melodie, of een refrein dat echt blijft hangen, en met hitje “Sun In Her Eyes” al vroeg in de set is veel kruit te snel verschoten.

Al te vaak verwordt Helsen zo tot het soort doordeweekse songsmid, waarvan elk land er wel een koppel heeft, dat niet buiten de landsgrenzen raakt maar daarbinnen wel zijn fans heeft. Het resultaat van net dat tikje te weinig kritiek en een lat die te laag ligt. Dat Helsen nochtans ook sterk uit de hoek kan komen, bewijst wat ouder materiaal als doorbraaksingle “Slowly” en vooral het afsluitende “When Marvin Calls”, waarin de man met het ringbaardje plots wel met een echt beklijvende melodie kan uitpakken. Eventjes krijgen we kippenvel, en weten we weer dat Helsen ooit wel raak kon treffen.

Wat een benen. Wat een naaldhakken. Wat een wijf. Ja, Duffy pakte ons in als een voor en door haar smeltende praline in een doosje. Mét strik. Wat een stem ook –- al moet ze ervoor opletten dat haar krakende vibraties geen irritant trucje worden (vaak is het al te laat). Wat een sterke set ook trouwens: Duffy is al meer dan een jaar op tournee, maar routine was in geen weiden of wegen te bespeuren. Integendeel. De Welsche staat een pak steviger op haar benen op het podium, en dat is eraan te zien (zucht) en te horen.

De begeleidingsband heeft ondertussen enkele verschuivingen ondergaan en telt nu ondermeer twee achtergrondzangeressen -– twee blonde uit de jaren vijftig overgeflitste lolita’s in jeanspakje. Enkele songs krijgen dan ook een frisse face-lift zodat de set flink wat meer punch heeft dan wat Duffy vorig jaar op Rock Werchter bracht.

Het lijkt dan ook geen toeval te zijn dat de twee weemoedigste (en bloedmooie) songs “Stepping Stone” en “Breaking My Own Heart” quasi volledig nieuwe, puntigere arrangementen krijgen. Ook single “Rain On Your Parade” werkt in z’n live-uitvoering beter dan op plaat. Duffy heeft zich nog wat meer bekwaamd in de kunst van het verleiden: die knipoog op het juiste moment, een eigen klein podiumpje waarop haar naaldhakken de regie van haar lichaam overnemen… Geen wonder dat haar naam achteraan op het podium tegenwoordig in vuurrode, glitterende letters prijkt. Duffy is aan het groeien, ja. En nog geen klein beetje, te horen aan de nieuwere songs op de heruitgave van Rockferry. Mooi climaxje aan het einde, met “Stop” (waarin ze op een bepaald moment aan het gillen slaat) en uiteraard “Mercy”. Ze heeft de songs waar je al Bettina Geysen voor moet heten om ze te verknoeien, ze heeft de stem, ze heeft de benen. Duffy zou wel eens blijvertje kunnen zijn. Wat een wijf.

Waarna het naar een stel lelijke venten ging. Yèp, het zwetende bolle hoofd van zanger Tom Chaplin zag er weer niet uit, maar voor de rest pakte Keane de Werchterwei moeiteloos in. Niet erg dat supersingles als “Lovers Are Losing”, “Everybody’s Changing” en “Bend And Break” al meteen voor de leeuwen worden gegooid, Keane heeft een gezinsverpakking geweldige songs mee, en graait daar gretig uit. “Spiralling” is het David Bowie-anno-Let’s Dance-moment, dat er met behulp van een extra man op toetsen (en in latere nummers ook op bas) extra potig uitkomt. Met “Is It Any Wonder” — een triomf van een song — bereikt het optreden al een vroeg hoogtepunt.

De Queen-cover (een duet met Bowie — hij weer) “Under Pressure” is niet meer dan een leuk karaokemoment dat je vooral nog eens doet bedenken wat voor grote zanger Freddie Mercury was, maar Keane brengt het aardig en met verve; het is echter “Bedshaped” dat de set op een ingetogen noot mag afsluiten; dertien songs, geen enkele minder dan uitstekend.

Werkelijk: dit was pop, zoals pop altijd zou moeten zijn: elke song was een halve hit, met een melodie die zelfs op de gezichten van de stoerste medemens een glimlach tovert en doet meezingen, perfect gebracht door een band die na alle drugsperikelen van Chaplin opnieuw speelvreugde heeft ontdekt; niet in het minst de frontman zelf, trouwens, die van hot naar her spurt en het publiek niet genoeg kan bedanken. Eventjes, zo tijdens de outro van “Crystal Ball” krijgen we het gevoel dat er nog meer in deze groep — nu al het ABBA van zijn tijd — zit; dat deze groep op zijn volgende platen wel eens echt zou kunnen gaan verbazen. En dat leest u dan ongetwijfeld eerst hier.

“Let op onze woorden: Moby is terug.” Die zin stond al klaar in dit verslag, nog voor Moby nonchalant het podium kwam opgelopen. De reden? De nieuwe, ontzettend weemoedige plaat Wait For Me die eind juni verschijnt. Een plaat die, voor zover nog nodig, Hotel en Last Night helemaal doet vergeten, alsof ze is opgenomen tijdens de Play-sessies, maar dan tussen elf uur ’s avonds en vijf uur ’s ochtends.

Geen festivalvoer dus, maar toch krijgen we onder andere de twee singles “Shot In The Back Of The Head” (al vroeg in de set), en “Pale Horses”, gezongen door een toetseniste die ons doet vermoeden dat Carla Bruni een best wel mooiere, schattige zus heeft. Dat is goed nieuws, wat tijdens Moby’s set voor de rest niet bijster vaak te rapen valt.

Moby is een betrouwbare festivalact, maar betrouwbaar en voorspelbaar staan doorgaans ver uit elkaar in het synoniemenwoordenboek. Niet zo bij Moby: de versies van “Bodyrock”, “Extreme Ways” of “Natural Blues” verschillen zoveel van een vorige passage op Werchter als twee lege flessen Cola. Toegegeven, dat kan aanleiding geven tot een fijn feestje, maar wie het allemaal al een keer gezien heeft, springt toch wat minder hoog dan de vorige keer.

Wel een aangename verrassing is “That’s When I Reach For My Revolver”, maar voor de rest blijven zelfs de bindteksten identiek hetzelfde als die van vijf jaar geleden — kent u die van de metalriff nog? Het is dan ook pas op het einde met pittige versies van “Lift Me Up” en vooral het dan weer wél onverslijtbare “Feeling So Real” dat Moby een hogere plaats dan Keane rechtvaardigt. Maar wees gerust: over vijf jaar is het omgekeerd.

Depeche Mode? Die krijgt u van (pn) na een laatste klik, hier spoelen we even door naar Basement Jaxx dat dezer dagen met een knoert van een identiteitscrisis lijkt te worstelen. U herinnert zich de groep van ge-wel-di-ge feestnummers als “Red Alert” of “Rendez-Vu”? Nou, ergens in de afgelopen drie jaar moeten Felix Buxton en Simon Ratcliffe aan het twijfelen zijn geslagen of hun geluid nog wel relevant is in een veranderende dancewereld. Op TW Classic krijgen we dus plots een heel andere Basement Jaxx te horen: eentje dat op dubstep na elk hedendaags dancegenre uitprobeert, maar nergens op een goeie manier. Het is wachten op de schaarse bekende nummers (naast de al genoemde krijgen we ook nog “Where’s Your Head At?”) vooraleer de vlam even in de pan slaat, om al even snel weer uit te doven. Grootste what the fuck?-moment: een akoestisch intermezzo. In.een.dansoptreden. Zegt genoeg? Wat een bommetje had moeten worden, klonk zo als een nat rotje. Niets “dansend de nacht in”, wat presentator Otto-Jan Ham ook mocht beweren.

En toch hebben we ons geamuseerd op TW Classic. We zullen niet zeggen dat we er existentiële twijfels aan zullen overhouden, maar voor goddeau was het toch een grote stap. Ach; het kan niet elke dag indie zijn. James, leg de ABBA-collectie nog maar eens op!

Depeche Mode

Eerst was Dave Gahan van de drugs, dan Martin Gore van de fles. Depeche Mode is dertig jaar oud en gezonder dan ooit. Toch leek dat in het geval van Gahan behoorlijk relatief te zijn de laatste weken. Geen spoor van te bekennen op het podium, al sluipt er tijdens deze tournee wel een ander, gevaarlijk, virus door de setlijst.

Met Sounds Of The Universe bewees de band eerder dit jaar dat hij nog steeds relevante dingen te zeggen heeft. Niet kwaad voor een elektropopgroep uit de prille jaren tachtig die eerst uitgelachen en dan verguisd werd. En iemand die al eens klinisch dood is geweest, laat een kwaadaardige tumor het podiumbeest in zich niet temmen — mooi om zien trouwens hoe Gahan voor hij het podium oploopt even enthousiast highfives uitdeelt aan de geluidsmannen. Meer dan een schor geschreeuwd “Come On Werchter” of “Oh yeah” roept hij niet naar het publiek (al stelde hij deze keer wel drie keer (!) Martin Gore voor), maar al z’n typerende moves met de staander krijgt het wel weer te zien. En tijdens de ronduit memorabele versies van “In Your Room” en vooral “I Feel You” sleurt hij Depeche Mode bij zijn nekvel het gezelschap van Beste Livebands in.

Het blijft ook vandaag nog contrasteren met de estheet Gore. Die heeft nog steeds recht op zijn solomoment, wat onder andere zorgt voor een ontzettend beklemmende versie van het sowieso al beladen “Home”, alleen met piano en een snuifje gitaar. Dat vlak daarna Gahan een door hem geschreven nummer, “Come Back”, mag zingen zal geen toeval zijn. Depeche Mode blijft alleen bestaan door de compromissen van die ontzettend ontvlambare tandem — vaak met dank aan Andy Fletcher. Ook hij staat vanavond weer stoïcijns achter de keyboards, af en toe twee gebalde vuisten de lucht in stekend.

Vlak na “Come Back” mag nieuwe single “Peace” nog eens bewijzen dat deze groep nog nooit zo hoopvol heeft geklonken -– “Peace will come to me” laat Gahan minutenlang echoën midden in het publiek, en je gelooft hem nog ook. Geweldig contrast trouwens vlak daarachter met de twee verschroeiende versies van “In Your Room” en “I Feel You” uit Songs Of Faith And Devotion, de plaat die hun veruit donkerste periode inluidde. Schermen dompelen de weide onder in een vuurrode gloed, de riff van “I Feel You” wordt vol venijn het publiek in gespuwd. Beide nummers klinken potiger dan tijdens de vorige passage in Werchter. Zo overdonderen doet de band (te?) zelden: het fantastische “It’s No Good” uit het therapeutische Ultra is eerder in de set een eerste hoogtepunt en “Wrong” is inderdaad de bom die op de plaat werd gedropt en live echt tot ontploffen komt.

In de categorie “feilloos” excelleren dan weer “Precious”, toch een van de mooiste DM-songs dit decennium, het steeds welgekomen “Walking In My Shoes” en het onverwoestbare “Never Let Me Down Again” dat traditiegetrouw voor haast religieuze taferelen zorgt en armen laat zwaaien tot voorbij de bomen op het festivalterrein.

Ook dat zorgt voor een contrast met de onvergeeflijke eerste bisronde, waarin “Master And Servant” en vooral “Strangelove” op een ongeïnteresseerde manier worden afgehaspeld, en waarin ook “Stripped” helaas ontzettend bleekjes door de set strompelt. Dat nummer verdient beter. Dat een band de eerste nietszeggende singletjes van een kwarteeuw geleden kotsbeu is gespeeld, is begrijpelijk. Maar doe het dan ook niet. Zodra die routine zich als een virus door de hele setlist begint te verspreiden, wordt het dramatisch. En Depeche Mode is tot het voorjaar van 2010 ondertussen volgeboekt.

Gelukkig zet “Personal Jesus” in de tweede bisronde nog orde op zaken, en mogen Gore en Gahan broederlijk tussen het volk afscheid nemen met het intieme “Waiting For The Night”, als om te bewijzen dat de recentste conflicten ook weer achter de rug zijn. En maar goed ook. Deze band moet nog een tijd kunnen doorgaan en meegaan.

Een bijwijlen ijzersterk, voorts feilloos, en een drie nummers lang inzinkend Depeche Mode gezien dus, dat er echt wel zin in heeft, zolang de band niet te veel automatische (en dus zielloze) jukebox speelt. De groep komt op 23 januari ook naar het Sportpaleis. U mag met een gerust hartje uw tickets reserveren -– wacht er ook best niet te lang mee. Op voorwaarde dat de setlist tegen dan een paar keer grondig door elkaar geschud is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × drie =