Emily Loizeau :: Pays Sauvage

Kleine meisjes worden groot. Soms is een huizenhoog cliché net wat je nodig hebt om een album te omschrijven, en dat is voor Pays Sauvage, de tweede plaat van Française Emily Loizeau, niet anders.

Bevond ze zich op debuutalbum L’Autre Bout Du Monde (geschreven voor haar overleden vader) immers nog volop in het groeiproces — dartelend tussen kinderlijke wiegeliedjes, puberale jaloeziebuien en licht hitsige nummers waar meer dan één man rode oortjes van zou krijgen — dan staat ze nu met beide benen in het volwassen leven. De speeltijd is voorbij, en dat is er vanaf opener “Pays Sauvage” aan te horen: het nummer is een duidelijke verwijzing naar de titeltrack van het vorige album, waarin Loizeau nog op zoek ging naar een imaginair land aan de andere kant van de wereld, waar de zon immer schijnt en waar vogels hun toevlucht zoeken tijdens de koudere dagen. “Te souviens-tu des pays des oiseaux / Tu sais celui où il fait toujours beau”, zingt ze, maar de lichtjes onheilspellende muziek laat er geen twijfel over bestaan: de vogels zijn dood, en het land is verwoest door storm en koude.

Het bluesy “Fais Battre Ton Tambour” gaat verder op hetzelfde elan: haar lief is vertrokken, maar Emily wil dansen om haar duivels uit te drijven en de pijn te vergeten. “Dancing with tears in my eyes” dus, al zal het hier veeleer een bizarre rituele dans bij een hoog oplaaiend vuur zijn, met de haast angstaanjagend klagerige backing vocals van Moriarty en dreigende banjo en percussie als ondersteuning. Het is een traag maar meeslepend nummer, en zo hadden er gerust meer op Pays Sauvage mogen staan. Let wel: het is niet de traagheid die op de rest van de plaat ontbreekt, maar op nummers als “Songes” of “Le Coeur D’Un Géant” hangt Loizeau net iets te vaak de getormenteerde Franse artieste uit (Juliette Gréco wordt niet voor niets bedankt in het boekje), en ze vergeet daarbij aandacht te schenken aan de melodie.

Af en toe duikt ook plots het speelse meisje van weleer op, een eerste keer in het onmiddellijk meefluitbare en melancholische “Sister”, waarin een ukelele en een bescheiden blazersorkest een belangrijke rol spelen, evenals rode KW’tjes en een Renault 12 van lang geleden. Loizeau zingt over een uitgeregende dag in september, maar het nummer klinkt als die eerste lentedag waarop de zon doorbreekt, en iedereen naar buiten trekt om lijf en leden opnieuw te laten verwarmen.

Nog vrolijker wordt het in “La Femme À Barbe”, een huppelend nummer dat opent met kindergezang en voortgestuwd wordt door alweer sterk aanwezige percussie en een klein koor dat zich voor de gelegenheid “Le Choeur des Femmes à Barbe de Paris” laat noemen. Het stemt ons zo goedgezind dat we Loizeau de misstap “The Princess And The Toad” — een langdradig duet met Thomas Fernsen dat nogal ongrappig varieert op het sprookje van de kikker die door de kus van een prinses verandert in een knappe prins — graag vergeven.

Veel geslaagder is het duet “Tell Me That You Don’t Cry / Dis Moi Que Toi Tu Ne Pleures Pas” (Emily Loizeau varieert graag in haar talen, liefst nog in een zelfde nummer of zelfs regel). De Engelse versie is een klassieke pianoballad waarvoor David-Ivar Herman Dune (die nog geregeld zal bijdragen aan het album) voor backing vocals en gitaar zorgt, terwijl Loizeau in de Franse, Afrikaans getinte versie wordt bijgestaan door Danyel Waro (geboren in La Réunion), die met zijn creoolse lyrics voor een heel andere invulling van het nummer zorgt, inclusief een opzwepend einde dat liefhebbers van Afrikaanse dans nog het meest zal bekoren.

Volwassen worden blijkt ook voor Emily Loizeau bij momenten een pijnlijk proces, maar hoewel Pays Sauvage met de nodige tristesse en artistieke moeilijkdoenerij gevuld werd, is Loizeau haar innerlijke speelvogel nog lang niet kwijt. Het album mag dan wel een minder hapklare brok zijn dan zijn voorganger, wie doorzet, wordt des te meer beloond.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier + dertien =