Laïs Lenski :: Laïs Lenski

Met The Ladies’ Second Song nam Laïs twee jaar geleden plots een afrit op de snelweg van hun carrière, zonder de richtingaanwijzers van hun auto te gebruiken. En de weg die ze nu verder inslaan mag voor velen misschien de moeilijkste zijn, het is alleszins de boeiendste, en hopelijk ook de meest logische; dat zal later blijken.

Nee, tijdens de kantooruren zal u deze plaat niet horen op de radio. U zal de plaat moeten vinden, want zoeken zal ze u niet. Het album bevat tien songs, tien songtitels. Maar allen zijn ze ondergeschikt aan een sfeer die voor u verbrod wordt als op deze pagina een poging zou staan om ze te omschrijven. Het is een plaat die bulkt van — net niet kreunt onder — de experimenteerdrang, die van het mooiste bevat dat Laïs ooit heeft opgenomen. Maar deze plaat is vooral een onderweg zijn, een zoeken terwijl ze de laatste wegenkaart uit het raam geslingerd hebben.

Cellist Simon Lenski van DAAU vergezelt hen in deze fase en weeft de klanken rond de stemmen van Laïs. Wie mooizingerij vergezeld van een cello verwacht, zal tijdens het luisteren naar het album stijve wenkbrauwen krijgen. Laïs’ stemmen kraken, slaan over, fluisteren, sussen, dreigen, verraden. Lenski doet meer dan als op cello gespeelde omkadering dienen, en creëert met allerhande soundscapes een donker landschap waarin aan geen enkele boom nog een blad hangt. Luister maar eens naar "Zandberg", waarin de drie stemmen opduiken uit een tunnel waarin Orpheus niet meer had durven omkijken. En in tegenstelling tot wat de titel van dat nummer laat vermoeden: nee, er staat geen lettergreep Nederlands op de plaat.

Ronduit indrukwekkend is de rauwe, onherkenbare cover van Nico’s "All That Is My Own", waarin Lenski’s cello als woelig water tegen de vocale oevers van Laïs klotst. Misschien wel het sterkste dat Laïs tot dusver heeft opgenomen. "Désespéré" en vooral "The Cuckoo’s Cry" zijn dan weer zo mooi dat u er zelfs op de heetste zomerdag uw dikste winterjas bij moet aandoen. ’Heeft hun samenzang ooit mooier geklonken?’, is het laatste wat u denkt vooraleer "The Cuckoo’s Cry" uw gedachten van u ontvreemdt en in zich opsluit. "Requiem", geschreven door Bauweraerts na de dood van haar vader, is van datzelfde bijwijlen ijselijke niveau.

Op de tweede helft wordt de ingeslagen weg een nog grilliger, bochtiger pad, zoals in "Blind Boy" en vooral "Liefdeskonkelarij", waarbij de stemmen meer dan ooit meer sfeer dan song creëren; waarom zijn woorden nodig als klanken zoveel meer kunnen uitdrukken? Het is een legitieme vraag die de plaat u meermaals lijkt te stellen; het antwoord is niet eenduidig genoeg om in een recensie te gieten. Soms klinkt de plaat dan ook alsof ze pas later echt een plaats zal krijgen, maar het is in eerste instantie aan u om ze een plaats te geven.

Of misschien doet Laïs dat zelf wel bij een volgende plaat. Wie zijn glazen bol vijf jaar geleden zag vertellen dat Laïs deze plaat zou gaan maken, had hem vloekend naar de kringloopwinkel gebracht. Laat hem daar nu toch maar liggen. Want schrijven dat dit album een "verrassing" is, is een lachertje. Met Laïs Lenski is Laïs dat stadium in één klap ver voorbij. Laïs is voortaan compleet onvoorspelbaar, daarom alleen al is deze plaat van een soms verkillend mooie, soms te grillige, maar vooral niet te onderschatten waarde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 4 =