Bob Dylan :: 22 april 2009, Vorst Nationaal

22 april 2009, 17.00 uur. Steeds meer Dylan-fans zwerven rond de concertbunker Vorst Nationaal: oudere mannen met wilde grijze haren, hippe tieners, eenzaten in vale T-shirts met Dylanprint, ouders, kinderen, kleinkinderen… Een Italiaanse die heel de tournee heeft gevolgd, bedelt zoals elke avond voor een “free ticket”. Enkele straatmuzikanten proberen – – met wisselend succes – – het wachtende publiek te entertainen, terwijl Dylan en zijn band zich binnen opwarmen voor het echte werk. Spanning hangt in de lucht. Een legende als Dylan zie je immers niet elke dag aan het werk. En kan hij het eigenlijk nog wel?

Vlak voor het optreden worden de verwachtingen nog wat aangedikt wanneer Dylan met een korte biografie wordt aangekondigd: “Please welcome…the poet laureate of rock-'n-roll, the voice of 60's counterculture, the man who forced folk into bed with rock, who donned make-up in the 70's and disappeared into a haze of substance abuse, who emerged to find Jesus, was written off as a has-been by the end of the 80's and suddenly shifted gears, releasing some of the strongest music of his career beginning in the late 90's… please welcome… Columbia recording artist Bob Dylan.” De band wandelt voorzichtig het podium op. Dylan, gehuld in een iets te wijd kostuum met kanariegele randen, neemt plaats achter zijn keyboard. Een hard, maar beetje rommelig “The Wicked Messenger” opent de set. Enkele flukse kniebewegingen doen vermoeden dat de 67-jarige bard er zin in heeft. Hij moet nog even opwarmen, maar tijdens het tweede nummer “It’s All Over Now, Baby Blue” valt alles in de plooi en zorgt een verassend goede mondharmonicasolo voor een eerste climax. Bawb blijkt bovendien redelijk goed bij stem te zijn.

Dylan komt slechts eventjes van achter zijn Korg-keyboard vandaan om op gitaar een bluesy versie van “Man In The Long Black Coat” te brengen. Dat hij de rest van de avond de snaren onberoerd laat is jammer, maar geen ramp: Dylan lijkt immers beter dan ooit zijn weg te vinden op de toetsen. Een hevige versie van “Highway 61 Revisited” kan niet echt bekoren. Het volgende nummer, “Ballad Of A Thin Man”, is echter een van de absolute hoogtepunten van de avond. Zorgvuldig drapeert Dylan de bijwijlen absurde en grappige tekst over de bezwerende muziek: “Now you see this one-eyed midget / shouting the word "now!" / And you say, "For what reason?" / and he says, "How?" / And you say, "What does this mean?" / and he screams back, "You're a cow! / Give me some milk or else go home".

De band is dezelfde als bij de twee vorige passages in Brussel. Bassist Tony Garnier zorgt reeds twintig jaar voor een stevige basis tijdens Dylans concerten en dirigeert met voorzichtige hoofdknikjes de andere muzikanten. Drummer George Receli drumt er vol enthousiasme op los. Absolute sterkmaker is Donnie Herron die op steelguitar, lap steel, banjo en viool de nummers nauwgezet inkleurt. Als de groep badend in warm zijlicht “Blind Willie McTell” brengt, verheft zijn banjo het lied tot het zoveelste hoogtepunt van de avond en wanen we ons zowaar even in de Mississippi Delta. Twee vreemde eenden in de bijt zijn de gitaristen Stu Kimball en Denny Freeman. Beiden werken het hele optreden op een uitermate serieuze en voorzichtige manier af. Fouten spelen ze niet, maar erg veel rock-’n-roll valt er niet te bespeuren. Dat staat in schril contrast met Dylan zelf, die lacht en al eens een grapje maakt met Donnie Herron.

De set wordt afgesloten met een degelijk, maar weinig verassend “Like A Rolling Stone”. Na een korte pauze (wat doet een legende als Dylan dan eigenlijk?) keert het gezelschap terug met een verschroeiende versie van “All Along The Watchtower”, om vervolgens even de rust op te zoeken met “Spirit On The Water” uit Modern Times (2006). Op het einde van het optreden graaft Dylan het diepst in zijn eigen verleden met “Blowin’ In The Wind”, dat hij in 1962 schreef. Toch klinkt het nummer in zijn nieuw arrangement opvallend fris. Drumroffels benadrukken op de juiste momenten de haast heilige woorden. Als apotheose schuifelt Dylan vanachter zijn keyboard weg om – – tot groot jolijt van het publiek – – vooraan op het podium met een mondharmonicasolo af te sluiten.

“You think I'm over the hill. You think I'm past my prime. Let me see what you got. We can have a whoppin' good time” zong Dylan in “Spirit On The Water”. En of we een “whoppin’ good time” hadden. Hij kan het nog.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + 10 =