Grand Duchy :: Petit Fours

Met een solocarrière zo wisselvallig als maar zijn kan, is het elke plaat opnieuw bang afwachten met wat Black Francis nu weer zal komen aanzetten. Ditmaal heeft de man, samen met zijn vrouw, onder de noemer Grand Duchy een verrassend fijne plaat gemaakt.

Hadden we maar nooit het hoesje van Petit Fours bekeken, we hadden veel complexlozer met de plaat kunnen omgaan. We zouden Grand Duchy dan immers simpelweg als veelbelovende debutanten bestempeld hebben, muzikanten die een aanstekelijke vorm van indiepop spelen en het potentieel in zich hebben om ooit eens met een klassieker op de proppen te komen. En daarmee zou de kous af geweest zijn. Tot duidelijk werd wie achter de band schuilgaat.

Het heeft nochtans even geduurd voor we dat beseften. Song na song passeerde de revue zonder dat we ons van enig kwaad bewust waren. Rond gelikte, maar daarom niet onaangename, synthesizerklanken werden rafelige gitaarriffs gesponnen, terwijl een mannen- en een vrouwenstem perfect in elkaar klikten. Alleen was er met die mannenstem iets vreemds: ze klonk heel vertrouwd, maar toch niet helemaal op haar plaats tussen de synthesizerklanken. Die zetten de luisteraar vakkundig op een dwaalspoor, maar slagen uiteindelijk toch niet helemaal in hun camouflageopdracht: net tijdens het fel naar The Cure en andere zwartjassenbands uit de jaren tachtig verwijzende “Black Suit” springt de naam Black Francis immers voor de geest.

Een idee dat we eerst weglachten, tot bleek dat Grand Duchy effectief het project is waar Black Francis en eega Violet Clarck zich dezer dagen mee bezighouden. En wat doe je met die kennis? Hij doet natuurlijk niets af van het feit dat Petit Fours een alleraardigste plaat is, maar daar sta je dan met je theorie van beginnend bandje dat het mogelijks nog ver zal schoppen en wie weet ooit eens een klassieker, enzovoort. We zijn al lang blij dat Petit Fours pakken spannender is dan het vorig jaar verschenen en alweer nagenoeg vergeten Svn Fngrs. Die prestatie is voor een groot stuk de verdienste van Francis’ partner Violet Clark.

Met haar charmante stem, die bizar genoeg bij momenten aan Kim Deal doet denken, zorgt ze voor het nodige tegengewicht bij de zanglijnen van manlief. Want hoewel Francis in songs als “Ermensinde” nog zo zijn best doet, zijn kenmerkende schreeuw een hele plaat inhouden zit er andermaal niet in, zo blijkt uit pakweg “Black Suit” of opener “Come On Over To My House”. Verder zijn het vooral de spacy klanken die Petit Fours tot zo’n verrassende plaat maken. Zo valt voornoemd “Ermensinde” te omschrijven als lieflijke electropop die evengoed aan Gore Slut als aan Au Revoir Simone doet denken. “Fort Wayne” zoekt het nog zeemzoeter en klinkt bij momenten zowaar klef, maar dan verrassend genoeg op een aanvaardbare manier.

Het minste dat over Grand Duchy gezegd kan worden, is dat het een band is die intrigeert. Gezien het recente, vooral op irriteren gerichte, verleden van Black Francis kan het dan ook alleen maar toegejuicht worden dat de man een uit de hand gelopen experiment — want dat was de opnamesessie met zijn vrouw aanvankelijk — tot volwaardige albumproporties heeft laten uitgroeien. Dat beiden er bovendien in slagen de alternatieve rock waarin Francis al decennia grossiert te verzoenen met de jaren tachtig-popklanken die Francis naar eigen zeggen toentertijd wou vernietigen, maakt de prestatie er alleen maar indrukwekkender op. Op naar het tijdloze meesterwerk!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 4 =