Little Joy :: Little Joy

Herinnert u zich Kinderen voor Kinderen en hun meezinger “Op een onbewoond eiland” nog? Geen paniek; met prepuberaal gezang in groepsverband heeft het debuut van Little Joy bijzonder weinig van doen. Wel van toepassing: de zinsnede “Je drinkt met je billen bloot/melk uit een kokosnoot” uit dat bewuste nummer.

Little Joy doet namelijk vermoeden dat de voornaamste bezigheden van de bandleden — naast het opnemen van een plaatje — exact op die manier samengevat kunnen worden, zo loom en zomers klinkt het album. Dat is ook niet echt verwonderlijk: de groep heeft zijn bestaan te danken aan een toevallige en behoorlijk doorrookte festivalontmoeting tussen Strokesdrummer Fabrizio Moretti en Rodrigo Amarante, zanger bij het Braziliaanse Los Hermanos. Een jaar later ging de groep zijn naam lenen bij een cocktailbar in Los Angeles, en werd zangeres Binki Shapiro (tevens Moretti’s vriendinnetje) in huis gehaald om het plaatje compleet te maken.

Het zonnige gitaargeluid van “Brand New Start” of “Keep Me In Mind”, de huppelende ska van “How To Hang A Warhol” en de langzame bossanova van “Evaporar” wekken dan ook de indruk dat Little Joy compleet in het verkeerde seizoen is uitgebracht, zozeer vormt de plaat een soundtrack voor wind-in-de-haren-ritjes die uitmonden in langzaam voortkabbelende uren op warme stranden of avonden op nauwelijks koelere terrassen.

Op basis daarvan zou je weinig overeenkomsten met dat andere, iets beroemdere groepje van Moretti verwachten, en toch klinkt Little Joy verbazingwekkend vaak als The Strokes on holiday. Dat ligt dan niet eens aan de drumpartijen van Moretti — al zorgen die bij momenten ook voor de nodige déjà-entendus. Het is veeleer te wijten aan de stem van Amarante, die op het grootste deel van de plaat zo dicht aanleunt bij de klankkleur van Strokeszanger Julian Casablancas, dat enkel een grondige dubbelcheck van de liner notes voldoende bewijs vormt dat die laatste toch echt niet meedoet op Little Joy.

Dat gaat echter niet op voor het bijna helemaal achteraan verborgen prijsbeest van Little Joy: “Don’t Watch Me Dancing” wordt — evenals “Unattainable” — grotendeels gezongen door Shapiro, en heeft dus nog nauwelijks iets te maken met het Strokesgeluid of de zomerklanken van de rest van de plaat. Het zachte walsje klinkt tegelijkertijd als het meest ingetogen werk van The Velvet Underground, Eels en lieve zangeressen als Simone White, en een paar minuten lang is er geen betere combinatie denkbaar: Shapiro drukt nog net niet haar lippen tegen je oor om al fluisterzingend het verhaal te vertellen van Margarita, een meisje dat op gebroken hakken eeuwig toneel spelend ronddanst tussen haar aanbidders, en liever “scarred than scarred with looks” is. Een verleidster, maar ook een hartenbreekster, en wanneer op het einde blazers en strijkers invallen, ben je net zo verloren als de mannen die aangetrokken worden door haar “strange appeal”.

Heel af en toe is het lome gevoel ook de zwakte van Little Joy. Driekwart van de nummers op het album bevindt zich geregeld op de dunne grens tussen soothing en lichtjes slaapverwekkend, maar “Play The Part” en “Shoulder To Shoulder” stranden duidelijk aan de verkeerde kant van die scheidingslijn, en slagen er niet in de aandacht blijvend vast te houden. Dat is echter slechts detailkritiek: de band weet op Little Joy een halfuur lang de sfeer op te roepen van warme zomernachten, zoete cocktails en zacht wiegende hangmatten, en wie droomt daar op een grijze winterdag niet van?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 + 1 =