Amanda Palmer :: Who Killed Amanda Palmer?

Dit ging een simpele plaat worden: een samenbrengen van
voornamelijk tragere nummers die een Dresden Dolls-album
zou overladen; naakt, akoestisch en volstrekt drumloos materiaal om
tussen de soep en de patatten op te nemen. Amanda Palmer had alles
al in gereedheid gebracht voor dit kleinood toen ze plots een mail
kreeg van Ben Folds met de vraag om samen te werken. De bal ging
aan het rollen en na een onverwacht lange tweede schrijf- en
productieronde is het tussendoortje een ambitieuzer project dan
eender welk van de Dolls-werken geworden. Nu wordt ‘Who Killed
Amanda Palmer?’ – natuurlijk een verwijzing naar de legendarische
Twin Peaks-moord
– uitgebracht als plaat, boek en site met achtergrondinformatie. De
hoes van de plaat stelt het materiaal voor als een verzameling
scènes uit het leven van Amanda Palmer, rond wiens moord in de
jaren zestig heel wat oproer ontstond, maar in tegenstelling tot
wat de aanpak laat veronderstellen, is dit meer een
verpakkingswijze dan een concept. Wie heeft uiteindelijk echt een
concept nodig om steengoede songs te presenteren?

Een kreet, een drumslag en een op hol geslagen piano. Amanda Palmer
doet van bij de eerste noten van opener ‘Astronaut: A Short History
Of Nearly Nothing’ weinig moeite om haar muzikale afkomst te
verbergen. Even reizen we terug naar de beginjaren van de Dolls,
wanneer de nadruk meer op sfeerschepping en opbouw lag in plaats
van er meteen met volle kracht inbeuken. Waarom zou Palmer ook
breken met de stijl die haar na aan het hart ligt? Het losbreken
uit de duomodus die naar een gelijke rol met de drums streeft, laat
haar namelijk toe om haar geluid te herdefiniëren, onder meer door
een wederkerende gastrol van Rasputina‘s Zoë
Keiting. Die verrijking staat Palmer toe meer uit de nummers te
halen, wat het soloproject onmiddellijk relevant maakt. ‘Blake
Says’ is in se een sonore zielsverwant van ‘Christopher Lydon’,
maar drijft in een dromerig interludium even weg op een zee van
strijkers en krijgt zo de extra dimensie die Palmer na het
veelvuldig exploreren van de piano/drum-opstelling goed kon
gebruiken.

Het vollere instrumentarium zorgt voor meer stand-outs. ‘Leeds
United’ is nog duidelijk ontstaan in een Weimar-cabaret, maar
springt door een opener geluid pas echt uit de boxen en eindigt als
een wervelende revue wanneer de volledige kopersectie uit de kast
gehaald wordt. Ook de tonguetwister ‘Runs In The Family’ heeft je
direct in zijn greep door de combinatie van een straffe tekst en
een verslavend ritme. Met ‘Guitar Hero’ schreef Amanda zelfs haar
eerste ware rockanthem: het perfecte huwelijk tussen klassieke
piano, loeiende rock en zelfs een scheutje Kylie – ook zij wist in
‘2 Hearts’ dat een refrein ter afwerking soms niet meer dan een
“whoo” nodig heeft.

In combinatie met alsnog wat harder materiaal komen ook de tragere
nummers veel beter tot hun recht dan ze temidden van een
semi-akoestisch album hadden kunnen doen. Het al veelvuldig
opgevoerde ‘Ampersand’ is een onafhankelijkheidsverklaring om u
tegen te zeggen (“I’m not going to live my life on one side of
an ampersand”
). Toch gaat ‘Another Year: A Short History Of
Almost Something’ met de hoofdprijs lopen: een sublieme afsluiter
die dankzij de naakte klank van de afwisselend zwaarwichtig en
lichtvoetig bespeelde piano in combinatie met enkele viooltoetsen
moordend meeslepend klinkt. Meteen ook de enige track die echt een
extra dimensie krijgt dankzij het concept: de fictieve Amanda
Palmer als jonge vrouw die nadenkt over de vele jaren die ze nog
tegoed heeft, onwetend dat haar laatste dagen geteld zijn en ze met
deze kanttekening eigenlijk haar zwanenzang geschreven heeft.

Enkele speelse tussendoortjes als ‘Strength To Music’, een ode aan
de componist met een voorliefde voor alchemie August Strindberg, en
het zeemzoete musicaldeuntje ‘What’s The Use Of Wond’rin?’ in
samenzang met St Vincent’s Annie Clark, versterken het totaalgevoel
van het album. ‘Who Killed Amanda Palmer?’ kan hierdoor een
epischer toer opgeaan zonder kunstmatig aan te voelen: ‘Have To
Drive’, de ‘Truce’ van deze plaat, kan zonder blozen middenin al
eens naar een koraalzang toewerken.

Amanda Palmer is voor haar soloplaat niet dwangmatig op zoek gegaan
naar een nieuw imago. Eerder heeft ze zichzelf carte blanche
gegeven binnen het geluid van Dresden Dolls. Dat ze zich thuisvoelt
in deze materie, zorgt mee voor dergelijk prachtresultaat. Hoeveel
sympathie we ook voor de Dolls blijven hebben, tijdens het
beluisteren van dit album stonden we geen seconde stil bij de vraag
‘Who Killed Brian Viglione?’

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier + 3 =