Foreign Correspondent

Wanneer er over Alfred Hitchcock gesproken of
geschreven wordt, gebeurt dat meestal in termen van de twee
belangrijke periodes uit zijn carrière: zijn vroege jaren in
Engeland, waarin hij relatief eenvoudige mystery-thrillers maakte,
en zijn latere jaren (de jaren vijftig en zestig), waarin
psychologie een grotere rol ging spelen (denk maar aan films als
‘Vertigo’ en ‘Marnie’). De tijd die daar tussenin lag, de jaren
veertig, wordt echter veel minder behandeld, schijnbaar veroordeeld
tot de status van bastaardperiode, waar dan enkele interessante
uitzonderingen uit tevoorschijn kwamen, zoals ‘Notorious’ en
‘Suspicion’. Over de propagandafilms van Hitchcock wordt zelden
gesproken.

Nochtans is dat precies wat de master of suspense een tijdlang
maakte. In 1940, vlak na zijn oversteek naar Amerika, maakte hij
twee films: de klassieker ‘Rebecca’ en ‘Foreign Correspondent’, een
oorlogsthriller waarvan de dunne plot slechts een middel is om de
allesoverheersende boodschap door te drukken: Amerika moest zich in
de Tweede Wereldoorlog mengen, en vlug een beetje! Meestal is het
bon ton om producent Walter Wanger de schuld te geven van
het (tegenwoordig nogal naïef aandoende) ultrapatriottische toontje
van ‘Foreign Correspondent’, maar dat is buiten de historische
werkelijkheid gerekend dat Hitchcock nog familieleden en vrienden
had wonen in Engeland, die regelmatig suf werden gebombardeerd door
de nazi’s. Niemand wilde een Amerikaanse betrokkenheid in WO II
meer dan de Britten, en deze vroege Amerikaanse Hitchcock is
weinig meer dan een algemene oproep om precies dat te
bewerkstelligen. Zelfs Joseph Goebbels was naar verluidt onder de
indruk van zijn kracht als propagandawerktuig.

Dat rabiaat pro-Amerikaanse toontje zorgde er destijds voor dat
‘Foreign Correspondent’ een groot financieel succes werd, met daar
bovenop nog eens zes Oscarnominaties (inclusief één voor beste
film, hoewel die prijs uiteindelijk naar Hitchcocks andere prent
van dat jaar, ‘Rebecca’, ging). Tegenwoordig is het echter één van
zijn minder bekende films, die diep in de schaduw staat van zijn
minder politiek gebonden, en daardoor minder gedateerde werk.

Joel McCrea speelt Johnny Jones (hoe all American kan
een naam worden?), een eigenzinnige journalist die door zijn
hoofdredacteur naar Europa wordt gestuurd om daar verslag uit te
brengen van de oorlogsdreiging. In Londen maakt hij kennis met
Stephen Fisher (Herbert Marshall) en de Nederlander Van Meer
(Albert Bassermann), twee sleutelfiguren van een vredesbeweging.
Nadat Van Meer voor Johnny’s ogen wordt neergeschoten, raakt de
kersverse foreign correspondent betrokken in een
uitgebreid complot van de vijand om levensbelangrijke informatie te
weten te komen.

Die plot werd in elkaar geknutseld door zo’n 14 scenaristen, wat
misschien verklaart waarom hij zo’n onsamenhangende indruk maakt.
Al gauw blijkt immers dat het moordslachtoffer niet Van Meer zelf
was, maar een dubbelganger. De échte Van Meer werd ontvoerd, opdat
hij vervolgens de inhoud van een geheime clausule uit een
vredesverdrag zou kunnen verraden. We komen nooit te weten waar de
slechteriken zo plotseling een perfecte dubbelganger vandaan
haalden, of zelfs wat nu precies dat grote geheim was dat ze uit
Van Meer wilden slaan. In principe is dat ook niet belangrijk – de
geheime clausule is niet meer dan een MacGuffin, het
mysterieuze stukje informatie dat alle personages willen hebben (of
beschermen) en dat bijgevolg de plot op gang trekt. Maar zo’n
MacGuffin kan ook in meer of mindere mate overtuigend zijn, en hier
lijkt hij weinig meer dan een bijgedachte. De personages lopen druk
over en weer, er vinden achtervolgingen plaats, mensen worden van
torens gesmeten en kruipen uit hotelvensters vele verdiepingen
boven de grond, maar niets daarvan lijkt ooit enigszins gemotiveerd
te zijn, omdat de centrale plot gimmick niet werkt.

Ook op andere gebieden heeft ‘Foreign Correspondent’ zo zijn
gebreken. Een aanzienlijk deel van de film speelt zich af in
Nederland, maar het geheel werd natuurlijk opgenomen in Engeland,
waar enkele figuranten pogingen ondernemen om een paar zinnen
Nederlands uit hun mond te wringen. Het resultaat is een vaak
hilarisch en meestal onverstaanbaar koeterwaals dat niets met de
taal te maken heeft. Op bepaalde momenten spreken ze zelfs Duits.
(Een Engelstalig publiek zal hier allicht geen last van hebben,
maar het is wel een symptoom van de laissez-faire attitude
van de makers.) Ook de tand des tijds heeft de film geen goed
gedaan – wanneer Johnny zijn love interest daags na hun
ontmoeting al meteen zijn eeuwige liefde verklaart en haar ten
huwelijk vraagt, heeft een hedendaags publiek de neiging om
giechelachtig te worden. (Op een bepaald moment ziet Johnny zich
verplicht om zijn dame de rest van de nacht vast te houden in een
hotel. Hij schiet ogenblikkelijk in een puriteinse kramp en
schreeuwt uit: “Maar dat is onmogelijk!” Vervolgens bestelt hij dan
maar een tweede éénpersoonskamer voor haar.) En dat is dan nog
buiten de propagandadoeleinden van de film gerekend: ‘Foreign
Correspondent’ is een call to arms, waarin regelmatig
patriottische monologen worden afgestoken die de absolute noodzaak
benadrukken van Amerika om zich in de oorlog te mengen. “Amerika is
het enige licht dat nog schijnt in deze duisternis,” declameert
Johnny aan het einde, terwijl de bommen vallen op Londen. Waarna
het Amerikaanse volkslied trots schalt over de eindaftiteling.
Subtiel. Bepaalde critici hebben die overdreven militaristische
sfeer proberen uit te leggen als een parodie, als Hitchcock die een
verholen knipoog probeerde te geven aan zijn publiek, maar de toon
van de film is zo oprecht dat die theorie maar weinig steek
houdt.

Dat alles zorgt ervoor dat ‘Foreign Correspondent’ nooit op het
bovenste schap van de Hitchcockfilms zal liggen, hoewel er wel lol
mee valt te beleven. De regisseur is nog altijd goed in het
construeren van suspensescènes, en heeft hier twee
prachtexemplaren. De eerste is de moord op Van Meer, waarin een
camera gebruikt wordt om het pistool te verbergen en er vervolgens
een achtervolging plaatsvindt onder de paraplu’s van de omstanders
en per auto. Hitchcock toont hier een strakke visuele stijl en een
heerlijk gevoel voor fysieke humor (de man die met z’n melkflesje
de straat probeert over te steken!). De tweede scène is een
vliegtuigcrash op het einde, die er naar huidige standaards nog
altijd verrassend goed uitziet en echte spanning weet op te
wekken.

De film is trouwens niet alleen onbedoeld grappig – de dialogen,
waaraan ‘His Girl Friday’-schrijver Ben Hecht nog sleutelde, zijn
snedig en staan vaak geestig in contrast met de situaties. Wat
dacht u van een collega van Johnny die een kamer vol tot de tanden
gewapende spionnen binnenstapt en doodgemoedereerd zegt: “Goeiedag,
ik ben van een verzekeringsmaatschappij, bent u soms geïnteresseerd
in een polis?” Het is op die momenten dat de speelse
spirit van een echte Hitchcock door de pijnlijk
zelfingenomen nobele bedoelingen van het verhaal komt
schemeren.

‘Foreign Correspondent’ is dus zeker geen totale flop, maar werd
zo specifiek gemaakt voor zijn eigen tijd dat hij nu eerder
interessant is als curiosum dan als op zichzelf staande film.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + vier =