Woven Hand :: Ten Stones

Doem, hellevuur en een naderende apocalyps: als dat David Eugene Edwards niet is, dan zijn wij Mega Mindy. Twaalf jaar ver in zijn carrière predikt de man ook met Woven Hand nog steeds een oud-testamentische variant van het christelijk geloof, maar na het flauwe Mosaic laait het heilig vuur op het nieuwe Ten Stones opnieuw hoog op.

Hij heeft een hobbelige weg afgelegd sinds het einde van Sixteen Horsepower, die Edwards. Klonk Woven Hand op zijn eerste plaat nog als een afgeleide van die hoofdbezigheid, dan was dat al anders tegen Blush Music, een herwerking van dat materiaal en aanvulling met nieuwe nummers voor een dansvoorstelling van Wim Vandekeybus: plots stond de groep minder voor songs, en meer voor sfeer.

Dat atmosferische, amorfe geluid werd verder verkend op het puike Consider The Birds: songs hadden niet zozeer kop en staart, ze welden op, stuwden voort, sloegen af en aan als golven op een rotskust. Tegen opvolger Mosaic was de wind echter gaan liggen, en het werd wat verveeld ronddobberen op de zee van Woven Hand terwijl ook de optredens almaar meer in pikdonkere en loodzware rondjes bleven draaien.

Tijd dus dat er iets veranderde en dat is ook gebeurd: Sixteen Horsepower-bassist Pascal Humbert werd weer in de armen gesloten, en sindsdien ontwikkelde Woven Hand langzamerhand opnieuw de dreigende spierballen die Edwards’ vorige groep live zo’n belevenis maakte. Op Ten Stones maakt die drive ook op plaat zijn herintrede en worden de geloofsbelijdenissen met het vuur van een bekeerling worden uitgespuwd.

Er zit weer energie in Woven Hand dus, en dat is te merken aan een nummer als “Kicking Bird” dat met een stampend ritme en een opzwepend “heyheyheyhey” langs davert. De bezetenheid van de begindagen lijkt even terug in de ogen van Edwards. “White Knuckle Grip” is een jolige stomper, maar dan wel één uit de hel: Edwards galmt onheilsspellend, een bandoneon speelt zijn monotoon lied, de bas van Humbert kronkelt listig als een slang.

Dat is het verschil met vorige platen van Woven Hand: de donkere wolken die altijd boven zijn wereld hangen zorgen niet langer voor een ordinaire stortbui, op Ten Stones bliksemt en dondert het opnieuw alsof Mordor opdoemt aan de einder. Ook in “Kingdom Of Ice” wanen we ons minstens zeven kringen diep in het inferno van Dante. Dat is: tussen de geweldenaars, de zelfmoordenaars en de Godsloochenaars.

Eén song maakt op zich zelfs de aanschaf van deze Ten Stones waard. Het razend intense “Not One Stone” is David Eugene Edwards binnenstebuiten getrokken; het beste van Sixteen Horsepower en Woven Hand in vier dreunende minuten samengebald. Het is de passie van Ian Curtis, de doem van Nick Cave, het geluid van een lawine in de Rocky Mountains tijdens het wekelijkse sermoen van de dominee. “Not One Stone” is het ultieme “tot hier en niet verder” van de band, een nummer waar elke rootsband een arm of een been voor veil zou hebben.

Het is waar; we hadden ons bijna afgekeerd van Edwards en de zijnen, maar Ten Stones heeft ons voor die dwaling behoed. We strooien berouwvol wat asse over ons hoofd, zingen een extra “hale-halelujah” en verspreiden het heilige woord: vanaf nu zullen we nooit meer aan Woven Hand twijfelen. Dat beloven we op ons plechtige communiezieltje.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 4 =