Living in Oblivion






Toen indiefilmer Tom DiCillo na zijn cultdebuut ‘Johnny Suede’
alleen maar tegenwind kreeg voor zijn geplande opvolger ‘Box of
Moon Light’, schreef hij de kokende agressie van zich af met een
iets meer dan semi-autobiografisch verhaal. Uiteindelijk zou dat
kleine project niet alleen zijn uiteindelijke follow-up worden,
maar ook zijn beste film tot op heden. ‘Living in Oblivion’ is een
hilarisch-triestige blik op de frustrerende bekommernissen die
ontstaan op de geïmproviseerde set van een onafhankelijke film.
DicCillo houdt de satirische steken zowel venijnig als onschuldig
zodat zijn film evenzeer een liefdesbrief als een haatpreek wordt
aan het adres van independent moviemaking. Het resultaat
is één van de grappigste indies van de jaren negentig en een
onmisbare handleiding voor elke omhooggevallen filmstudent die
dringend met zijn kunstzinnige voetjes terug aan de grond moet
komen. Roll that motherfuckin’ camera, wolfie!

Een langharige Steve Buscemi speelt Nick Reve, een jonge
regisseur die zijn nieuwste lowbudgetprent wil maken, maar constant
getroffen wordt door de blikseminslagen van de wet van Murphy. De
crew bestaat uit een bende amateuristische nitwits, met
pretentieuze director of photography Wolf (Dermot Mulroney met een
hilarische baret en een kinky lederen vestje) als natuurlijke
leider en ook de acteurs arriveren met kosten. De leading
man
Chad (James LeGros) is een narcistische ijdeltuit die de
film naar zijn hand wil zetten en hoofdactrice Nicole (Catherine
Keener) barst van de onzekerheden en twijfels, zowel over zichzelf
als over het project. Ergens tussen angstige koorstdroom en bittere
realiteit probeert Nick zijn film te draaien, zijn dementerende
moeder van de set te houden en niet te hard op de kleine teen te
trappen van Tito de getypecaste dwerg (Peter Dinklage). Bloed,
zweet en tranen kost het hem, maar hij moet en zal zijn ‘best
film ever made by a human being’
maken.

Met dank aan zijn acteurs, die allemaal een financiële bijdrage
deden, en met zijn persoonlijke ervaringen vers in het geheugen,
heeft een gefrusteerde DiCillo de demonen van zich af kunnen
filmen. Met ‘Living in Oblivion’ steekt hij – op dollende
metatekstuele wijze – de draak met lowbudgetcinema die gemaakt
wordt voor een halve appel en een ei en de actoren (check de
geluidsman met zijn vuil t-shirtje en zelfgeschreven scenario in de
achterzak) achter de schermen van zo’n project. Maar in
tegenstelling tot de giftige uithalen van pakweg Billy Wilder
(‘Sunset
Boulevard’
) en Robert Altman (‘The Player’), houdt DiCillo te
veel van cinema (die slotscène!) om er een anderhalf uur durende
fulminatie uit te zweten. ‘Living in Oblivion’ is zelden een
bijtende aanval op het egotrippende filmwereldje, maar de
pretentieloze, gedetailleerde, en vaak levensecht aanvoelende
aanpak maakt er wel een raak geobserveerd en aandoenlijk kleinood
van dat eigenlijk hetzelfde doet met het filmwereldje als ‘This Is
Spinal Tap’ met het rockcircus.

DiCillo deelt zijn geinige spotprent op in drie eenvoudige
delen, waarin hij telkens een ander aspect van het
lowbudget-filmproces liefdevol te kakken zet. Eerst richt hij zijn
frustratie op de crew en de externe factoren die een opname keer op
keer in de soep laten draaien. Een micro die herhaaldelijk in beeld
verschijnt, storend straatlawaai en een cameraman die zure melk uit
zijn lijf staat te kotsen op het moment dat de hoofdactrice haar
meest gepassioneerde vertolking neerzet. DiCillo zet de accumulatie
van ergernissen meesterlijk om in kleine, onbevangen momentjes en
laat de sequens culmineren in een heerlijke vulkaanuitbarsting van
roodoogwezel Buscemi, die overtuigend in de huid kruipt van een
cineast met het meest deprimerende regisseursmoto ooit: It’s
just one disappointing compromise after another.

Deel twee gebruikt een intieme scène tussen twee acteurs
(Catherine Keener en James LeGros) om de divastreken van de
‘steracteur’ bloot te leggen. Alweer een succulent stukje
gniffelhumor waarin clever gejongleerd wordt met de futloze
seksuele spanning tussen acteurs na een fletse onenightstand,
rivaliteit op de set en een alsmaar groter wordend ego van de
Hollywoodster die een lowbudgetfilm draait om kritisch succes te
oogsten. Dankzij James LeGros (dat ooglapje!), die Alan
Rickman-gewijs de show steelt als onuitstaanbare
douchebag, hét hoogtepunt van de film. Terwijl
indie-actrice Catherine Keener het zelfspottende materiaal klasse
en elegantie meegeeft, ook al bevatten haar oksels meer wildgroei
dan de wenkbrauwen van Bruno Wyndaele.

Tot slot wordt ook de blinde arty farty-regisseur
onderuit gehaald met een opname van een uit Lynchland weggelopen
droomscène waar een hilarische Peter Dinklage er een extra metalaag
oplegt met een zoveelste rolletje als knorrige lilliputter, die
voor de gelegenheid absoluut niet kan lachen met het feit dat
dwergen altijd ingezet worden in bizarre droomsequenties. Of zoals
hij het zelf zo smakelijk zegt: ‘Woah, this must be a fuckin’
dream, there’s
a fuckin’ dwarf in
it!’
. Wedden dat de bedenker van ‘Twin Peaks’ onder zijn rode
fauteuil ligt van het lachen bij het zien van die scène?

Het amusante ‘Living in Oblivion’ zal in de eerste plaats de
filmfreaks bekoren die hartelijk kunnen lachen met de vele
referenties, de speelse metatekstuele niveaus en de meest
amateuristische filmcrew sinds Ed Woods kleurrijke entourage. Maar
dankzij de enthousiaste vertolkingen, de grappige dialogen en de
herkenbare universele frustratie van een very bad day at
work
, kan ook een breder publiek, dat niet spontaan gniffelt
bij het opmerken van een idoliserend postertje van Fritz Langs ‘M’,
met veel plezier meegenieten. Gniffelgniffel maar gezellig mee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × 1 =