Dour 2008 :: Een wake-up call voor randdebielen

We zouden u kunnen vervelen met de traditionele verhalen wat voor uitputtingsslag vier dagen Dour is voor uw nochtans kerngezonde verslaggevers. Maar dat hebben we de vorige jaren al gedaan, daarom deze keer gewoon de feiten, voor u gedistilleerd uit ons grote verslag van op de wei.

Dag een: Toekomst met rundvleesgeur

Twintig jaar bestaat Dour al ondertussen, deze marathon van hardcore, dance, véél hiphop dit jaar en een beetje indie. Het is zoeken naar krenten in een pap die op zich al lekker is, en waar kunnen we beter onze odyssee starten dan bij onze jongste vaderlandse trots?

Steak Number Eight moest en zou op Dour spelen, en een gebroken pols zal hen daarbij niet tegenhouden. Toch moet drummer Joris Cassier in de stevigste nummers toch even plaats maken voor zijn drumleraar Jan De Smet. We horen dus een band die éven met de handrem op begint — we hebben van “The Sea Is Dying” al betere versies gehoord — maar tegen “My Hero” toch volledig op gang komt. Zelfs lichtjes gehandicapt blijft de doem van Steak ronduit indrukwekkend en aan de grote voorbeelden gewaagd.

Ligt het aan de opgelopen tinnitus bij Steak Number Eight, of vinden wij The Teenagers toch een goede tien minuten vrij uitstekend? Helaas: begint het concert met afschuwelijk catchy singlemateriaal, dan blijft datzelfde leuke new wave-popriedeltje zich drie kwartier lang hardnekkig herhalen, terwijl de zanger zoveel haar op zijn Engels heeft staan dat het even op Mandarijns lijkt. Het publiek wordt licht uitzinnig voor de Parijzenaren, maar onze oren zien harder af dan onze voeten daarnet tijdens de Echternachprocessie richting camping.

Foals is op de tijd waarin wij amper onze neus konden snuiten uitgegroeid tot een stevige groep van professionele volksmenners, die de halfvolle wei voor de Last Arena veranderen in een kleine waterkolk. Toch lijkt een en ander ietwat routineus met bijna dezelfde set als op Polsslag, en maar half zo overweldigend als toen. De repetitieve, aan Steve Reich schatplichtige postpunk van de band blijft niettemin dansbaar en opzwepend, en ook wij kunnen amper stilstaan wanneer de hoekige gitaartjes uit de speakers aangewaaid komen en frontman Yannis Philippakis van het podium afspringt en op zijn trom klopt alsof hij net uit zijn collocatie is ontsnapt.

En als we dan toch dansen: Eli “Paperboy” Reed krijgt van zijn begeleidingsband The True Loves een introductie wijlen Soul Brother #1 waardig, waarna de het podium opstormende blanke snaak zijn krachtige keel opentrekt om de stilletjes volgelopen tent compleet omver te blazen. Koppel de energie van de jonge Springsteen aan de soulvolle songs van Motown, en u weet wat voor een broeierig feestje dit is. Vintage Soul dus, met onnozelheden als de obligate introductieronde vandien, maar niettemin verdomd lekker: neem alleen al de aalgladde r&b van “It’s Easy” of “Ace Of Spades” van Motörhead dat hier van schreeuwerige hardrock omgebouwd wordt tot een zwoele funk-workout. Geen brommende Lemmy hier, maar bezwerend gekweel van Eli terwijl de saxen wegtoeteren en de baslijnen het publiek onder lichte dwang tot dansen aanzetten. Een kleine revelatie.

Blaine Harrison van Mystery Jets maakt er blijkbaar een sport van festivalbandjes te verzamelen. Een hobby als een ander, en de Eastpak Corestage van Dour is een nieuwe overwinning aan zijn arm. In de typische, op de Kinks geïnspireerde Britrock horen we weinig origineels, maar het publiek gaat zachtjesaan wel uit de bol voor hitjes als “The Boy Who Ran Away” en “Young Love”. Charming, maar ook niet veel meer dan dat.

Succes doet iets met een mens: was Erlend Oye jaren geleden nog één helft van het nerdy Kings Of Convenience, dan out hij zich de laatste tijd als funky dude bij The Whitest Boy Alive. ‘s Mans nieuwste outfit maakt zwoele muziek die het goed zou doen op cocktailparty’s waar al eens lichtjes geschuifeld mag worden. Aangenaam, maar Oye blijkt ook maar een beperkt kunstje te beheersen: haast elk nummer is inwisselbaar met het volgende en de verveling krijgt gaandeweg dan ook de overhand.

Divatime: Goldfrapp doet het vandaag helemaal in sekte-achtig wit gestoken en pakt aanvankelijk vooral uit met het etherische materiaal van debuut Felt Mountain en het nieuwe Seventh Tree. Mooi, maar tegen de regen kan de zangeres op die manier niet op. Pas wanneer het blik discokrakers van op Black Cherry en Supernature wordt opengetrokken, krijgt ze echt het publiek mee, maar dan wel meteen goed: “Train” is een daverende afsluiter van dit helaas wat in het water gevallen optreden.

Gortdroge beats en bezwerende minimal: Ellen Allien is een ideale afsluiter voor deze eerste, lome festivaldag. Alliens bliepende dj-set lijkt de massa echter weinig te boeien; wij daarentegen geraken lichtjes betoverd door de plaatjes die de Berlijnse grootstadprinses op de mixtafel legt. Toegegeven, we hadden ons na het uitstekende Sool niet echt aan een gewone platenoplegsessie verwacht, maar de heupen willen ook wel eens wat. En zo sloffen we stilletjes van de ene tent naar de andere. Balans? Deze eerste dag was niet echt indrukwekkend, maar we hadden wel a mighty good time. Morgen meer Dour!


Dag Twee: Kopstoten van een Ultraphallus

Op het plannetje van uw en onze mannen is er vandaag heel wat groen en geel aangeduid. Aan het werk dus, want Dag Twee belooft een welgevulde te worden. Eindelijk voelen we het festivalbeest in ons ontwaken: Dour, nu pas krijgen we er echt goed zin in.

Een ferme Ultraphallus in je smoel; daar wordt een mens flink wakker van. Dit Waalse viertal raast met de fijnzinnigheid van een kudde losgeslagen stieren doorheen twintig jaar SubPop-geschiedenis. Een flard “Drain You” van Nirvana gaat al snel over in teringherrie op zijn Melvins en het gekrijs van een ongewassen speenvarken. Toch pakt de mosterd van Ultraphallus niet helemaal: ook al musiceert de band zo strak als het kontje van Kylie in een spandex broekje, de songs ontbreken als eens en ook door de zang worden we niet helemaal overtuigd. Toch: we zijn wakker nu, dàt in elk geval!

Tweede kopstoot van de dag: Andy Falkous die met zijn Future Of The Left door Curses raast dat het niet mooi meer is. Drie kwartier lang wordt er schuimbekkend over het podium geraasd, terwijl Falkous (afwisselend op keyboard en pokkeluide gitaar) en bassist Kelson Mathias ons “Small Bones Small Bodies”, “Plague Of Onces” en “Real Men Hunt In Packs” door de strot rammen, afgewisseld met nieuw (en heel sterk) materiaal. Gebleit dat we hebben toen McLusky ter ziele ging, maar deze groep zou een mens haast dankbaar maken voor die split. Teringherrie met een flinke scheut humor, ze zouden het moeten verplichten.

”We spelen geen rustige nummers vandaag, d’accord?” klinkt het bij V.O. Nou, niet dat de band rond Boris Gronemberger plots in heavy metal zal uitbarsten, maar voor zijn doen gaat die vandaag toch voluit. Met alle toeters en bellen doet dit V.O. wat denken aan een Belle & Sebastian dat de wide open road ontdekt: folky songs die al eens een vleugje americana in zich dragen, maar rijkelijk worden ingekleurd met blazers, toetsen en een xylofoon en waarbij ’s mans zang al eens een zweempje soul in zich draagt. Mooi.

Nu Earth drone doom maakt voor Antwerpse high-society-cocktailfeestjes en The Melvins stilletjesaan in Kiss veranderen, is cultgroep Harvey Milk een laatste toevluchtsoord voor het betere loodzware en onaardse lawaai. Kopstoot drie dus, al zijn er na vijf minuten spelen niet veel schedels meer over om in te beuken. Een vettige kwak sludge spugen deze bebaarde oermensen in ons oor, zo luid dat de eerste vier Black Sabbaths slechts stormen in een glas water lijken, of lieflijke kinderliedjes voor het slapengaan. Geen chirurgische precisie maar de botte bijl dus, en maar goed ook. Harvey Milk is onaards goed.

En doe er daar nog een vierde bij: wat de immer intense Eugene Robinson van Oxbow ons vandaag in ons gezicht spuugt, is heel moeilijk onder woorden te brengen. De Amerikaanse noiserockers zijn naar goede gewoonte nog maar eens verschroeiend: het lawaai uit de speakers dat de luisteraar onverhoeds aanvalt, grijpt naar de strot en perst elk restje lucht uit de longen, terwijl Robinson als een demonische ritemeester zijn danse macabre op het podium tentoonspreidt en met zijn stem ruiten doet springen, slechte geluidsmix of niet. Een bezwerend, onbevattelijk en met rauwe emotie doorspekte totaalspektakel: Oxbow is zien om te geloven.

Twee groepen bewijzen vervolgens elk op hun eigen manier dat hun stille muziek ondertussen al luid genoeg is geworden om de openlucht van The Red Freqency Stage aan te kunnen. Niet dat Pinback plots een geweldige liveband is geworden, maar de grove borstel waarmee ze de subtiele klanktapijtjes van op plaat hier neerzetten, past het grote canvas van dit podium een stuk beter dan een intimistische setting.

Ook The Notwist blijkt tegenwoordig thuis te horen op een groter podium. Nu ze komaf hebben gemaakt met de neuzelende onhebbelijkheden van het indietronicagenre, durven ze veel resoluter de kaart van de pop trekken. “Pick Up The Phone” en een net iets te lang uitgesponnen “Pilot” zijn hoogtepuntjes.

Keuze te over op deze vrijdag: zo missen we Ratatat, Zenzile en Agnostic Front, maar voor het Vlaamse Flat Earth Society staan we wel op post. En terecht: de veelkoppige band blaast met zijn beukende jazzgolven de tent tien centimeter achteruit, daarbij niet in het minst vooruitgestuwd door het Finse nu-jazz-icoon Jimi Tenor. Nu weer krijgt het geheel big band-allures, dan weer freejazz-solo’s, funky surfrockriedeltjes, of gewoon desoriënterend gefrunnik, maar altijd is het lichtjes geweldig.

En dan begint de hip-hopmarathon: we zijn nog maar net bekomen van de bis van Anti-Pop Consortiumlid Beans die zijn verzen als snelvuur in zijn microfoon doet vloeien, of daar is het al de beurt aan Bonde Do Role: de twee zotte dozen Laura en Ana bouwen een doldwaas feestje op een opwindende cocktail van hip-hop, electro en Grease. En alsof dat nog niet genoeg is, mag Ice Cube (“Aaisblokjeuh” in het Mechels) een eivolle wei voor de Last Arena met enkele welgemikte bassen, samples en “where’s the party at, Belgium!?”’s omtoveren tot een kolkende massa met omhooggestoken west side-handgebaren. De man heeft zijn relevantie al grotendeels verloren sinds debuut AmeriKKKa’s Most Wanted uit 1990, maar onze grijnslach ten spijt kunnen ook wij niet ontkennen dat het een heel dik hip-hopfeestje was. Hey, voor nummers “Check Yo Self” nemen wij alle genreclichés, van stoere gangstapraat tot twee dikke soepnegers als bodyguards op het podium om gevaarlijke strandballen te neutraliseren, er graag bij.

Een loopje dat opbouwt, zich plots met horten en stoten voortsleept, een akelig precieze beat die invalt en een heliumstemmetje dat zich plots uit de georganiseerde chaos naar buiten wurmt: Battles blijft nog steeds zijn machtige zelf. Het trucje mag ondertussen wel al gekend zijn, toch blijft dit een en al opwinding, masturbatorisch gefriemel dat nooit zo aanvoelt, omdat het mikt op de heupen en niet op het brein. Concert van het festival, en op het terrein voor de Red Frequency Stage ontspint zich een groteske polonaise.

Gedanst dat er wordt! “Tij” voelt nog steeds aan als het spitsuur in Bombay; het resultaat is dan ook navenant. “Atlas” blijft een anthem voor overstuurde robots, een onwaarschijnlijke hit voor deze nieuwe eeuw die een statisch publiek doet smelten tot een vormeloze brij. Het geluid van een verkeersopstopping waar Godzilla komt doorgestampt: nooit gedacht dat het in open lucht kon werken.

Het was opzien tegen en stiekem hoge verwachtingen koesteren voor het optreden van de Wu-Tang Clan, en even lijkt het net zo’n ramp te worden zoals vorig jaar, wanneer de acht heren wel heel erg op zich laten wachten. Maar voorwaar: het was goed. The Wu rolde even met de spierballen, achteloos en zonder al te veel moeite, maar de manier waarop er door de legendarische songcatalogus gescheurd werd, was een plezier om te zien. De Clan is nog steeds “Nuthin’ To Fuck Wit”.

Afsluiten doen we vandaag met een feestje: Roni Size & Reprazent brachten tien jaar geleden de baanbrekende drum-‘n-bassplaat New Forms uit en vierden dat dit jaar met een heruitgave en een nieuwe tour. Wat maakt het uit dat de band in geen tijden nog een interessante plaat heeft afgescheiden: vanavond is het opnieuw 1997 en knallen de razend snelle breakbeats van “Switch” en “Jazz” alsof het genre nog even heet is als toen. Wij dansen onze benen eraf dat het geen naam heeft en draaien zo met een zwierige pirouette de nacht in. Tot morgen!


Dag drie: Een kleine auditieve holocaust

Dag drie; de traditionele sufdag. De vermoeidheid van twee nachten slecht slapen begint zijn tol te eisen, het programma is niet veel soeps,… Dit is de rustdag in de tour: we houden ons stil en komen alleen voor het hoogstnodige buiten.

Die smachtende zang! Die kristalheldere pianolijntjes! Die Teutoonse marsritmes! Geen idee of het echt nodig is, maar Abyss is duidelijk het Waalse Muse. We zeiden het al: dag drie wordt er een om ons door te slépen, en hij kon niet slechter beginnen. Gelukkig is er nog Quit Your Dayjob; de drie Zweden hebben van knettergek zijn hun beroep gemaakt, zo lijkt het. Frontman Jonass springt in het rond alsof er een kolonie vuurmieren in zijn onderbroek zit, terwijl keyboardspeler Markass nu eens bananen in de belichting gooit, dan weer in zijn onderbroek staat te musiceren. Hun elektronische punkrock rammelt dat het een lieve lust is en toegegeven: na een tijdje wordt het irritant en begint de gimmick ons de strot uit te komen. Met het verstand op nul is dit echter de ideale wake-up call voor randdebielen.

En terwijl de Last Arena stilletjes op een Jamaicaanse ambassade begint te lijken en er in de Eastpack Core-tent armen en benen gebroken worden als waren het boomtwijgjes, vluchten wij dan maar naar de Club Circuit Tent, waar het vandaag gemakkelijk is een hip-hopdelirium op te lopen. Eén van de verantwoordelijken: Flying Lotus, ofwel Steven Ellison, die met een DJ-set van donkere elektronische grooves en zware bassen een logge, enigmatische sfeer creërt waarin het aangenaam vertoeven is. Dat moet Ellison trouwens opgemerkt hebben, gezien de manier waarop hij breed grijnzend achter zijn draaitafels staat. En heeft u ooit al een hiphop-DJ horen bissen? Wij nu wel, en het is hem volledig gegund.

En dan besluiten Zu en Dälek een kleine auditieve holocaust op poten te zetten. Onaardse dingen worden uitgehaald in het kleine huisje op de prairie, geluidsorkanen die opwellen uit het oorverdovend geweld van freejazztrio Zu en door het loodzware klanktapijt van Dälek beuken. Trommelvliezen scheuren, monden vallen open en een splijtzwam stijgt uit boven de weide. Kortom: een optreden dat nog heel lang zal nazinderen.

Ligt het misschien daaraan dat The Meat Puppets nogal tam klinken? De countrypunk van de broertjes Kirkwood is nochtans ideaal festivalvoer, maar het doet ons niet veel. Een groep moet zich niet constant heruitvinden, maar dit soort never change a winning team-mentaliteit leidt heel snel tot sleur, cultgroep (met dank aan ene Cobain Kurt) of niet. Dit was geen slecht concert, maar consequent mak en onbeduidend. Veel meer opwinding valt er te rapen bij The Heliocentrics, die een uur lang de geest van Miles Davis circa 1970 lijken op te roepen met hun broeierige,

funky jazzfusion waarbij de percussie ratelt, de gitaar compleet bezopen klinkt en de saxofoon tekeer gaat als een voodoopriester. Een zwoel feest, dat was het.

En dan mogen we stevig gaan dansen. Chris Corner prikt het derde gaatje in zijn Dourabonnement en mikt met I Am X op de benen van de vele danslustigen in de — hoe kan het ook anders — Dance Hall. Nieuw materiaal is er niet te horen, maar voor de fijne selectie electrorockers uit Kiss + Swallow en The Alternative mag u ons altijd komen wakker maken. Al was het maar om ondertussen nog eens stevig te grijnzen om de overtrokken podiumoutfits van de band. I Am X zorgde weer voor een dikke fuif.

Dag drie is ondertussen goed en cours de route, en weet u wat: we beginnen terug onze draai te vinden. Slaapgebrek kan uiteindelijk ook een way of lifeworden, en dat leven zelf is te kort om ons daar verder druk over te maken. En zie: als in een koortsig vermoeidheidsvisioen doemt daar David Eugene Edwards uit de mist op. Van op de Red Frequency Stage predikt de man met zijn Woven Hand slechts voor een handjevol bekeerlingen, maar die krijgen zoals gewoonlijk een vlammend sermoen. Hel en verdoemenis knetteren van het podium terwijl hij met vlammende gitaarlicks zijn passie preekt en huilend zijn “Hale-halelujah”s krijt. Opnieuw blijkt de terugkeer van Pascal Humbert aan zijn zijde overigens een goed iets: zijn krachtige basspel geeft de songs meer stuwing, waar ze vroeger al eens atmosferisch ter plaatse bleven trappelen.

Hip-hop alweer, het blijft een fenomeen; een muziekgenre dat over de sores van de zwarte gemeenschap lamenteert, maar wel steevast een gigantisch legioen suburban white kids aanspreekt. Ook vanavond weer een hele tent vol, al kan je hen geen ongelijk geven: het ondertussen vrij legendarische Black Moon brengt zowat de beste hip-hop die we dit weekend al mogen ondergaan hebben. Buckshot blijft er constant op hameren dat hij een MC is, een master of ceremony, en geen rapper, en dat hij zowat de beste is van allemaal. Zwakke rappers? Buck ‘em down. Maar voorwaar, hij heeft recht van spreken. Dit is echte, pure rap, gebracht door het type volksmenner dat Bruno Valkeniers nooit zal zijn. Het is eens een ander soort donderpreken dan die van David Eugene Edwards.

Waarmee we dan eindelijk dat verdomde slaaptekort kunnen gaan inhalen. Hup, de tent in en maffen, want morgen volgt nog een lang dag. Bij leven en welzijn: morgen de rest van het verslag!

Dag vier: Een ranzige darmspoeling

Zelden iemand zo teleurgesteld gezien als (jbg) toen hij hoorde dat Mark E Smith van The Fall zijn kat naar deze Dour zou sturen. Maar zelfs zonder de 50 year old man is er nog werk genoeg aan de winkel op deze laatste dag. Voorwaarts, mars!

Raxinasky is voor welgeteld veertig seconden leuk: niet dat we van tijd tot tijd geen portie jazzcore kunnen pruimen, maar dit Belgische trio brengt zijn kruising van sludge, freejazzerupties en mathcore zo potsierlijk met alle voorspelbare genreclichés in de aanslag dat het eerder een kwartiertje comedy wordt in plaats van de verwachte auditieve lijdensweg. Als brulkikker van dienst Herbert Boureau — en een beul was hij — voor de zoveelste keer schreeuwt alsof er een groot metalen voorwerp in zijn achterpoortje wordt geramd, hebben wij er genoeg van. Het is nog te vroeg op de dag voor een ranzige darmspoeling.

Waar het nooit vroeg genoeg voor is: de vrolijke indiepop van Team William. Denk aan het springerigste van Weezer, voeg er wat Pavement aan toe en maak het af met een toefje Clap Your Hands Say Yeah. De band grossiert in aanstekelijke popnummers als “Hotel”, “London Lo-Fi” of “Lord Of The Dogs” die frontman Floris De Decker aan de lopende band schrijft alsof dat allemaal niets kost. Het blijft overigens een plezier om toetsenman Arne Sunaert bezig te zien in zijn nooit aflatende zoektocht naar verstrooiing op het podium. Een minpuntje: de andere groepsleden zouden wel wat minder zoutpilaar mogen zijn. Maar goed: ze mogen dan “maar” derde zijn geworden in de laatste Rock Rally, Team William is één van dé wissels op de vaderlandse rocktoekomst. Ook veelbelovend trouwens, maar dan Brussels: Nestor!, dat zijn invloeden eerder uit Albion haalt. We horen echo’s van Franz Ferdinand en Arctic Monkeys en ook de potentiële discohit “Boys Of Warsaw”.

”Fijn dat jullie toch nog met zoveel zijn op dit ongoddelijke uur”: Sivert Hoyem van Madrugada is het gewoon om eerder later te spelen. Halverwege de middag speelt de band desalniettemin alsof zijn leven er van afhangt. Met “Look Away Lucifer” en “Whatever Happend To You” start de band met het stevigste van zijn recentste titelloze album — dat werd afgewerkt na het overlijden van gitarist Robert Buras –, al gauw krijgen we ook knap ouder werk als de machtige sleper “Majesty” of het intense “Strange Colour Blue”. Afgesloten wordt er met “I Wanna Be You Dog”, dat hier een echt Madrugada-jasje krijgt aangemeten. Knap concert.

Weinig volk bij Enon, maar leuk dat het is! Het trio bewijst nog maar eens dat het al lang niet meer thuishoort in het vormeloze indiepeloton. Geweldige, knotsgekke popnummertjes met stekelige gitaren, zoiets gaat er altijd gemakkelijk in; een lekkere portie energie en branie op deze tamme zondagmiddag.

Wij zijn nog geen beetje onder de indruk van Subtle. Hier staat een avant-hopgroep met een reputatie, én met ExitingARM een uitstekende derde plaat onder de arm waarop de grenzen van het genre zo ver verlegd worden dat ze al lang niet zichtbaar meer zijn. Adam Drucker, beter bekend onder de schuilnaam Doseone, balanceert in de show constant op de rand van rasecht theater, tiert als een Zuiderse predikant, en schiet zijn woorden zo snel af dat er snelheidsmeters op hol slaan en een hoop zwaargewonden richting infirmerie afgevoerd moeten worden, terwijl de livemuziek in hogere regionen zweeft, tussen donkere, bezwerende hiphop en ijle ruimtepop in. De toekomst van hip-hop is nu aan het gebeuren.

Is Efterklang op plaat een ingetogen bedoening, dan is daar in La Petite Maison Dans La Prairie niets van te merken. Met extra percussie voor frontman Rasmus Stolberg speelt de band een stevige set met vooral werk uit het recente Parades. Toch werkt dat niet altijd even goed: de dromerige laagjesmuziek wordt vandaag met veel kracht gebracht, maar daardoor valt des te meer op dat de songs al eens kop en staart missen.

Alsof ze een progrockband recht uit de jaren zeventig zijn, komen de garagerockers van The (International) Noise Conspiracy op in lelijke paars-fluwelen pakjes. Muzikaal is het al even clichématig huilen met de pet op. Dan liever de hiphop van Akro: de man heeft een liveband met blazers meegebracht, wat een welgekomen afwisseling is van alle doordeweekse draaitafelhiphop. Zo krijgen zijn songs knap kleur, daarbij nog geholpen door drie backingvocalistes en een enthousiast meescanderend publiek.

Vandaag passeerde Subtle al uit de Anticon-stal, nu mag Jonathan Wolf van Why? zijn kunsten komen tentoonspreiden. In tegenstelling tot andere (ex-)labelgenoten heeft deze groep de kantjes eraf gevijld; geen avant-hop, wel mooie en ijle indierock waarin af en toe wel eens een flard rap mag passeren, of een drum even mag stuiteren. Al blijft het optreden soms toch te vrijblijvend en te gelijkvormig; hoe mooi de muziek soms ook was, het wou niet echt klikken. Lichtjes teleurstellend.

Na een uur weten we het wel: Earth is geen festivalact. Niet dat het muzikaal slecht is; verre van, eigenlijk. Dylan Carlson grijpt naar believen uit het sterke, dromerige The Bees Made Honey In The Lion’s Skull, waaruit het titelnummer en “Engine Of Ruin” zorgen voor een luide, maar bedwelmende drone die in het hele psychedelische sfeertje de luisteraars naar andere oorden brengt. We zien een hoop mensen de oren spitsen, er eentje rollen en rustig wegdromen, maar net zo goed een hoop volk dat toegankelijker oorden opzoekt. Niettemin bewijst Carlson, ondanks het zelf ondermijnen van de atmosfeer met zijn bindteksten, dat deze incarnatie van Earth nog altijd de sterkste tot nu toe is.

Popmuziek, gezien door een mat glas: dat moeten wel The Raveonettes zijn, die het op deze tournee weer erg minimaal aanpakken. De drummer moet het met twee trommels doen, baslijntjes komen uit de sampler, en zangeres Loui vervangt haar hoogzwangere zus Sharin Foo terwijl Sune Rose Wagner op zijn gitaar voor muren noise zorgt. Daartussen zitten echter parels van melodieën begraven die het jonge publiek erg gewillig meekrijgen. Het beukende “That Great Love Sound” is een vroege knaller, bloedmooi is het naar Everly Brothers neigende “Here Comes Mary”. Enig minpuntje: de nummers van op het nieuwe Lust Lust Lust vallen opzichtig door de mand.

Fujiya & Miyagi lijkt niet zondagavond te spelen, maar zaterdagnacht wanneer de monday morning blues nog niet aan de horizon opdoemen. Het is zwoele en funky elektronica alom vanavond, vanaf de extreem dansbare krautpop van “Ankle Injuries” tot het einde. Deze groep blijft een ideale remedie tegen het lood in onze benen, dat er al rondhuppelend uitgedreven wordt op nummers als “Sucking Punch”. Uitkijken geblazen naar die nieuwe plaat.

Vier dagen goede, mindere en soms ronduit slechte muziek door de strot geramd krijgen, compleet afgepeigerd zijn van evenveel dagen rondhossen op de stoffige weide, en amper tijd om te slapen. U kan wel begrijpen dat het laatste waar we zin in hadden om dit festival af te sluiten, een slaapverwekkende set van Tortoise was. Maar de postrockgiganten verrassen: liggen de verwachtingen bij een trage, zeer subtiele set, dan is de groep vandaag heel percussief, rechttoe rechtaan en, zoals in “Glass Museum”, luid rockend, en dat doet deugd. Het spelplezier druipt er vanaf, en dat straalt af op het publiek. Het is lang geleden dat we pakweg TNTopgelegd hebben, maar ons geloof in deze groep is terug gesterkt; postrock mag dan al lang ten grave gedragen zijn, voor een uurtje is dit weer even toekomstmuziek.

Neen, Dour had dit jaar niet dé headliners die het had mogen hebben — die gaf Livenation liever aan Les Ardentes — maar vier dagen na die vaststelling blijkt ons verslag toch zo’n slordige veertigduizend tekens lof voor veel concerten te bevatten. Zonder grote namen kan het dus ook, want met zo’n rijkdom en verscheidenheid als Dour te bieden had, valt er altijd wel iets te beleven. En mogen we nog eens een compliment geven voor de puike organisatie dit jaar? Nergens was er nog sprake van de onhygiënische vuilnisbelt die het festival vorig jaar was; die lessen zijn duidelijk getrokken. Dour 2008 was op alle vlakken een vooruitgang. Volgend jaar weer!

Check ook de foto’s van wannabes.be

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien + achttien =