WERCHTER 2008 :: De subtiliteit van een ebola-epidemie

Vier dagen strompelen op een overvolle wei, die de vierde dag als een plee begint te meuren; it’s a dirty job, but someone had to take responsibility. Goddeau stuurde ook dit jaar zijn zonen uit en werd daarvoor bedankt met volgend verslag vol euforie, pret en afgrijzen. En ze hadden Anouk nochtans bewust overgeslagen. Maar én of dat het verder goed was; zo verzekerden zij ons!

Dag een :: Onfeilbaar afrodisiacum

Rock Werchter 2008 is niet uitverkocht, maar heeft een van de indrukwekkendste affiches van de afgelopen jaren. Zo tellen we drie top-headliners en nog een stuk of wat namen die op grote festivals als Glastonbury mogen headlinen (The Verve, Jay-Z). Beetje bizar dus dat u niet massaler de spaarrekening heeft geplunderd.

Anderzijds heeft de trouwe concert- en festivalganger een hoop bands het voorbije jaar al minstens eenmaal aan het werk gezien en zullen andere groepen ook op Pukkelpop ten dans spelen. The National of Sigur Rós kunnen we niet genoeg live zien, maar het maakt zo’n dagje of weekendje Rock Werchter toch alweer wat minder exclusief. De megafestivalformule van véél dagen, véél bands en kijk-eens-wie-er-toch-niet-allemaal-komt-het-is-een-koopje alleen is blijkbaar niet meer voldoende om 80.000 man in Werchter te krijgen.

Met meer dan een uur aanschuiven om aan de persbalie te raken, is er tijd genoeg voor dit soort overpeinzingen, gefilosofeer en voorbarige conclusies. Hadden we daar niet gestaan, dan kon u ook hier uit eerste hand vernemen hoe geweldig Vampire Weekend was en hoe voorspelbaar/trefzeker de Counting Crows waren. Niets van dat dus: wij krijgen de lof over Vampire Weekend ook pas te horen wanneer we — licht grommend — de al aardig gevulde Marquee binnenwandelen.

Net op tijd om het eerste memorabele Werchtermoment te beleven: het publiek dat massaal meezingt met Radioheads “Creep” dat bij wijze van wachtmuziek door de boxen schalt. Onmiddellijk gevolgd door memorabel Werchtermoment twee: datzelfde publiek dat The National als helden op het podium verwelkomt, maar gedisciplineerd stopt met klappen wanneer Matt Berninger de eerste tonen van “Start A War” begint te zingen. The National deed exact wat van hen verwacht werd: de reeds bekende set vol hoogtepunten uit Boxer en Alligator vol vuur en passie afwerken en het (bij elk concert groeiend) publiek murw maar voldaan achterlaten. En ook nu weer: missie geslaagd.

Intussen hadden de hemelsluizen zich haast synchroon met de start van Mika’s optreden op het hoofdpodium geopend. We zoeken geen verband, zeker niet omdat de vleesgeworden multiculturele samenleving er een zeer te smaken lap op blijkt te geven. Op weg naar droger oorden vangen we een flard op van een uitgesponnen “Love Today” en doet “Grace Kelly” een halve weide vergeten dat het pijpenstelen regent. We nemen daar akte van en geven de man de kans om bij zijn volgende passage (Werchter ’09, gokken we zo) ons helemaal te overtuigen.

Eerst mag Lenny Kravitz dat echter doen. Enkele jaren geleden bleken enkel de vrouwen enigszins warm te lopen voor zijn set van al tien jaar oude versies van een al veertig jaar oud geluid, maar hoe sceptisch we ook staan kijken, Kravitz weet ons elke minuut meer te overtuigen van zijn plek op de affiche. Tegen “It Ain’t Over ’till It’s Over” hebben enkel de mannen nog last van regen en wijst men ons op ’s mans greatest hits als onfeilbaar afrodisiacum. We noteren dat, vragen ons af of we wel voldoende scepsis voorzien hadden om Lenny Kravitz eervol te verslaan — de hoofdkaas gromt hier iets over “verbanningen naar TW Classic” die onomkeerbaar zouden moeten zijn — maar staan plots ongegeneerd mee te shaken met “Let Love Rule”. Nog een geluk dat onze luchtgitaar nadien nog van pas kwam voor “Are You Gonna Go My Way”. Een onverwacht fantastisch concert dus, maar vooral dankzij de oude hits.

In de Marquee is ondertussen het grote dansen begonnen met een Shameboy dat retezenuwachtig de planken betreedt. Dat is nergens voor nodig: het publiek lust maar al te graag electropap van deze heren, en Shameboy bedankt met een set die bewijst dat het internationaal meekan.

Soulwax speelt een mix van dance, electro, rock en Gentsheid, maar het boeit ons even niet. Het moet zijn dat Kravitz niet alleen onze scepsis, maar ook onze vreewijsheid de vernieling heeft ingespeeld, want we missen de rock-Soulwax die beloofd was in de voorbeschouwingen. De geweldige Nite versions van “Miserable Girl” en “Another Excuse” weten ons zeker te bekoren en de semi-rock-covers van Daft Punk (“Robot Rock”) en Justice (“Phantom”) mogen er zijn, maar beklijven niet. Het voelt net dat tikje te incestueus aan. Soulwax zet zich stevig in het nu-rave en elektro-clash geluid, maar zo tussen Lenny Kravitz en R.E.M. in, klonk dat hele geluid wat te serieus en vooral te zwaar. Als een heuse kameleon is Soulwax de voorbije jaren getransformeerd van grungegroepje tot electrogroep, maar live klinkt het geluid dat ze delen met pakweg Justice en Klaxons nu al zo vertrouwd, dat het wellicht bijna passé is. Benieuwd naar hun volgende transformatie, maar we hopen op Pukkelpop wèl perfect in stemming te zijn voor hun set.

“Follow me, don’t follow me”: slechts één nummer heeft R.E.M. nodig om tien lamlendige jaren van tafel te vegen. Een geïnspireerd “Orange Crush” maakt meteen duidelijk dat de groep de neuzen opnieuw in dezelfde richting heeft staan: die van de jaren tachtig. Nieuwer werk als een vurig “Living Well Is The Best Revenge” moet niet echt onderdoen, maar het zijn klassiekers als “Fall On Me” en een uitbundig meegezongen “Man On The Moon” die de klus klaren. En niemand die om “Everybody Hurts” riep: hulde!

Waarna het tijd is om de dag weg te dansen. Dit jaar valt er te kiezen tussen 2ManyDJs en Chemical Brothers, die beide om verschillende redenen aardig tegenvielen. 2ManyDJs bleek met hetzelfde euvel te sukkelen als Soulwax enkele uren eerder: iets teveel sérieux (een beetje té nu) en veel te weinig leuk-foute plaatjes in de mix. We misten met andere woorden de vrolijke, ironische onzin waarvoor we de Dewaeles altijd wisten te appreciëren. Ofwel hebben we net het verkeerde halfuur gezien, natuurlijk, en maakten we dezelfde fout als vorig jaar: een fijn Marquee-optreden inruilen voor opgewarmde kost van dance-dinosaurussen. The Chemical Brothers lieten dan weer meer dan een half uur op zich wachten om dan met exact dezelfde drie nummers als in 2007 te openen. “Nie wieder”, was goddeau’s unisone verdict. En zo bleef het missen van Vampire Weekend ook het enige negatieve wat er over Dag Een van Werchter 2008 te melden valt.


Dag twee :: Gemoedelijk puberen

De programmatie van de tweede festivaldag vertoont ongeveer evenveel samenhang als de regering van Yves Leterme. Van een stel schreeuwende metalheads over een uit de kluiten gewassen zwarte rapper tot een authentieke grumpy old man: het hoofdpodium bevat genoeg verschillende typetjes om Chris Van den Durpel een dozijn natte dromen te bezorgen.

Het oranje legioen is dit jaar opvallend zwak vertegenwoordigd. Zou de EK-kater daar voor iets tussen zitten? Herinner ons er in elk geval aan dat we de Russen een bedankkaartje en een jumbofles wodka sturen. Wel in grote getale aanwezig zijn de buren van over het Kanaal, makkelijk te herkennen aan het vlekkeloze out-of-the-gutters-of-Sussex-accent, drie Stella’s in elke hand en de meest smakeloze kledij sinds Liberace het loodje legde. Oh goody. Ook gespot: een Duitse cohorte, enkele weed rokende Israeli’s en een occasionele yank. Als daar maar geen wereldoorlogen van komen.

Begin er maar eens aan: als stoere rockers het hoofdpodium openen onder een stralend middagzonnetje. Geen bezwaar voor de twee opgeschoten pubers van The Blackbox Revelation. Met een stel bescheiden hitjes onder de arm wisten ze in geen tijd de festivalweide voor zich te winnen. Met name het prijsbeest “I Think I Like You” kon op heel wat applaus rekenen. Maar ook met “Stand Your Ground”, “Gravity Blues” en “Kill For Peace” toonde het tweetal niet mis te staan op een groot festival.

“De dag is helder”, stelt Stijn Meuris tevreden vast, en hij jaagt zijn cohorten ijlings de Main Stage op. Lang geleden dat Monza nog eens van het daglicht mocht proeven op Werchter, maar het hoofdpodium blijkt geen maat te groot: met strakke hand leidt Meuris de band door het nieuwe en sterke Attica! en wordt het publiek getrakteerd op de snoeiharde titelsong daarvan, een hertimmerd “Van God los” en het op een stomende T.C. Matic-groove gebouwde “Wie danst er nog?”. En passant smokkelt Meuris er nog een groots “Gigant” tussen, maar het is het verschroeiende “De schuld van de DJ” — pure Queens Of The Stone Age — dat de weide helemaal omverblaast. Monza rockte, en nog geen beetje.

Niet dat dat een uitdaging vormt voor Dave Lombardo en kameraden: Slayer palmt de main stage in met de subtiliteit van een ebola-epidemie. Voor een band die tot de big four van de thrash metal gerekend wordt, moet een plekje aan het begin van de namiddag een bittere smaak nalaten. Tom Araya laat het echter niet aan zijn hart komen en schijnt zich uitstekend te amuseren op het podium. Hij trakteert het publiek op een brede grijns — genre Jack Nicholson in The Shining — , een onstuitbare energie en een stel volstrekt inwisselbare, maar absoluut luidruchtige songs. De gemoedelijk puberende tienermeisjes die vooraan al op Air Traffic staan te wachten, geraken prompt in een acute shocktoestand wanneer Slayer het volume opendraait. These go to eleven.

Patrick Watson toonde dat elektriciteit een overschatte uitvinding is. Na een stroompanne speelde de Canadese band manmoedig onversterkt verder vanuit het midden van de tent. Het werd een glorieuze afsluiter van een verder puik optreden. Een halfuurtje volstond voor de band om met moeilijk definieerbare muziek het publiek collectief te bezweren. De meeslepende ketelrock van “Weight of the World” illustreerde de klasse en het genie van Patrick Watson en legde zelfs een paar bezopen Britten het zwijgen op.

Ben Folds is inmiddels de veertig gepasseerd, maar ziet er nog steeds uit als de doorsnee geschiedenisstudent, nerdglasses incluis. Folds kent een moeilijke start in de Marquee. Zijn vrolijke pianodeuntjes lijken niet onmiddellijk aan te slaan, maar met een enthousiast gebracht “Annie Waits” krijgt hij eindelijk vat op het publiek. “Bitches Ain’t Shit” tovert de Marquee om tot een hippere versie van Vlaanderen zingt en met “Still Fighting It” haalt Folds ook de laatste twijfelaars over de streep. Toegankelijke popmuziek doorspekt met hoge dosissen ironie: je moet al verdomd zwartgallig zijn om hier niet goedgehumeurd van te worden.

Het afzeggen van Babyshambles is zo voorspelbaar dat zelfs de meest verstokte fans het nieuws op een laconiek schouderophalen onthalen. Voor de gokkers onder u: Pete Doherty schijnt nog steeds te leven. Uw weddenschap of hij al dan niet eerder gekist zal worden dan Amy Winehouse houdt dus nog steeds stand. Als invallers vindt Schuermans Air Traffic bereid nog een set te spelen. Air Traffic staat zowat tot rockmuziek als Coke Zero tot echte Coca Cola: ze zeggen wel dat het hetzelfde smaakt, maar kenners weten wel beter. Zelfs de haast vertederende bezieling — het doet ons wat denken aan een chihuahua die keft met de allures van een rottweiler — die zanger Chris Wall tentoonspreidt, kan het gebrek aan songs niet maskeren. Al weerhoudt dat het door oestrogeen gedomineerde publiek er niet van om gezellig collectief te gaan zwijmelen. We kunnen een visioen van Slayer dat bij middel van een degelijke chain saw massacre met de schooljongetjes van Air Traffic afrekent nauwelijks onderdrukken.

Na thrash metal, afgezegde junkiepunk en vervangende teenybopperij is het op Werchters meest eclectische dag de beurt aan een stevige streep hiphop. Jay-Z vindt zichzelf de beste rapper ter wereld en we zijn geneigd de man te geloven. Alles wat hiphop ooit boeiend en gevaarlijk maakte, is dan ook op pensioen of er zeer dringend aan toe. En tussen de platte R&B-kak die de hitlijsten domineert, is Jay-Z een verademing. U blijkt daar helemaal hetzelfde over te denken en ondergaat gewillig de publiekspelletjes, zwaait met het t-shirt, brult “99 problems” lekker mee (zelfs de bitches laten zich niet onbetuigd) en heeft duidelijk zin in een stevig feestje onder de brandende zon. Jay-Z heeft dan ook de moeite gedaan en kan met een achtkoppige band (in plaats van enkel een tape en een DJ) en een set vol hits en flarden covers moeiteloos boeien. Dit soort van hiphopfeest mag er voor ons elk jaar bij zijn.

Dat My Morning Jacket de richting van de mainstream rock is ingeslagen, kon u al lezen in (jbo)’s recensie van het nieuwe Evil Urges. De band put voor zijn set in de Marquee wel uitgebreid uit de oude platen, maar heeft ook van deze songs het scherpste afgevijld. Jim James en de zijnen missen de inspiratie om hun publiek echt te kunnen beroeren en zijn nog het best te genieten sloom achteroverliggend op het grasland buiten de Marquee, een veel te dure pint bij de hand en veel te kleine bikini’s in het gezichtsveld. “Anytime” brengt nog even wat leven in de brouwerij, maar verder slaagt My Morning Jacket erin nog minder opwinding teweeg te brengen dan alweer een nieuwe seksvideo van Britney Spears.

Opwinding is er wel wanneer The Verve het podium betreedt. We hadden niet meer met zoveel verwachting naar een comeback uitgekeken sinds Bobby Ewing opnieuw zijn opwachting maakte in Dallas. Hoezo, we beginnen oud te worden? The Verve staat in onze jeugdherinneringen naast andere muzikale helden als Oasis en — we gruwen in retrospect — Live. Vandaag lijkt enkel The Verve nog enige relevantie te hebben. Op de klassieke hits lijkt alvast geen sleet te zitten: nadat “This Is Music” even Mad Richard Ashcrofts ego heeft gestreeld, gooit de band meteen “Sonnet” voor de leeuwen. Afgesloten wordt er met nieuwe single “Love Is Noise”, die ons nog niet helemaal overtuigde, maar met zijn dansend 4/4-ritme vandaag plots wel werkt. Benieuwd naar die vierde plaat.

Het leukste dance-optreden op Werchter? Hot Chip meneer! Toegegeven, het bonte gezelschap dat het podium oprende, had meer weg van een bende IT-nerds dan van popsterren, maar dat maakte de pret er niet minder om. De Londenaars steken met een brede glimlach hun middelvinger uit naar techno-puristen, maar eren tegelijk all things electronic op een ongeziene manier.

Neil Young ziet er op zijn tweeënzestigste uit als een broer van Statler en Waldorf. Met de looks — hij lijkt meer en meer op de raaskallende bejaarde uit The Fast Show — mag het dan al bergaf zijn gegaan, de stem en het virtuoze gitaarspel van Onze Held blijken nog intact. Al lijkt de man met dat laatste net iets teveel te willen imponeren. Het weerhoudt het publiek er niet van de greatest hits-set ten volle te smaken. De gemiddelde leeftijd van dat publiek is weliswaar ongeveer verdriedubbeld sinds het optreden van Air Traffic; ook dat is Werchter. Maar vooral: morgen meer!

Dag drie: Doe de bakvissenbootyshake!

Dag drie in Werchter: lichtjes geradbraakt het terrein opwandelen, met pijn in de rug (ongemakkelijk gelegen) en kramp in de benen (te lang rechtgestaan). Even naar het dagschema loeren, en besluiten om toch even door te bijten. Om maar te zeggen: De Schuer had deze dag een hele mooie affiche samengesteld. Jammer dat we tot de conclusie moesten komen dat we gerust de hele namiddag op de camping onze roes hadden kunnen uitslapen.

Een traag vollopende wei die kreunt onder de middagzon, het is geen geschenk, en zeker niet op deze lome zaterdag. The Whigs beleefden dan ook niet bepaald een carrièrehoogtepunt toen ze rond de noen op de Main Stage gesmeten werden, al leek het hen niet echt te deren. Hun zomerse collegerock, zowel gemakkelijk in het oor liggend als razendsnel vergeten, werd door de drie jonge gastjes met een immense energie geserveerd; nu nog een hoop wereldsongs en die schabouwelijke cover van “Get Off Of My Cloud” uit de setlist, en het plaatje klopt. Het is in ieder geval beter gesteld met hen dan met Galactic: blanke dertigers en funk, het blijft een dodelijk saaie combinatie, en geen enkele door de douane geloodste homie op de mic die daar verandering in kan brengen. Standaard saxofoongeriedel: check. Clichématige soul zonder ziel: jazeker. Een feestje? We beg to differ. We hebben al harder gefunkt op Wagner.

Nog zo’n feestje dat er uiteindelijk geen was, of toch geen memorabel: dat van Gossip. Zonder “The” (Een “The” is zooo 2007) spreidde de groep, geleid door de met een bast van een lijf gezegende zangeres Beth Ditto, zijn kunstjes nog eens tentoon: funky ritmes waarop la Ditto naar hartenlust kon kwelen dat het tot in Koekelberg te horen viel. Altijd aangenaam, maar na zoveel keer ook een beetje eentonig. Niet dat “Standing In The Way Of Control” een slecht nummer is, maar net als een aflevering Blokken ben je het na een paar keer toch ook kotsbeu. Het kon het verzamelde bakvissengild niet deren; die stonden naar hartelust te bootyshaken dat het geen gezicht meer was. We gunnen het hen van harte, maar onze tikker (en bullshitdetector) wilde echt niet meer mee. Daarom dat we, onder Ditto’s spervuur, in zeven haasten naar de Marquee spurtten, waar MGMT haast een thuismatch leek te spelen. Al is het maar de vraag op welke planeet die match dan gespeeld werd; we were tripping balls, man, zegt de diep verscholen hippie in ons. Toegegeven, een verpletterende triomf werd het niet, maar overtuigen deed de groep niettemin. Mooi om te zien hoe een hype zoveel volk kan mobiliseren, en dat dan ook nog eens rechtvaardigt.

Van het andromedastelsel naar het strak in het pak gestoken wereldje van The Hives, waar het volkslied steevast afgetrapt wordt met een welgemeend “1, 2, 3, 4”. Al was het, net als de Rode Duivels die zich aan een Brabançonne wagen, een beetje ongeïnspireerd, afgehaspeld, en nooit echt synchroon: howlin’ Pelle Almqvist springt nog altijd om de tien seconden naar een andere uithoek van het podium, maar zelfs de dolste fratsen kunnen niet verbergen dat het nieuwe materiaal ook live heel dunnetjes klinkt, en dat het vooral leuk wordt als “Main Offender” of “Hate To Say I Told You So” de revue passeren. “Did you miss us?” Niet echt, eigenlijk. Jeugdsentiment is voor ons sinds I Love The 90’s opnieuw volledig uit den boze.

Door de modder baggeren om dan op een stoffige plankenvloer muziek te aanhoren: beter kunnen de omstandigheden niet zijn voor de plattelandsrock van Band Of Horses. De letterlijke drie man en een paardenkop van een jaar geleden in Trix zijn nu uitgegroeid tot een mooi gevulde Marquee en dat is niet meer dan terecht, gezien de kwaliteit die de band rond Ben Bridwell te bieden heeft. Het is dan ook met zichtbaar plezier dat het gezelschap zichzelf aan het grote publiek voorstelt. Een bloemlezing uit de twee albums gaat erin als zoete koek en wanneer de eerste noten van “The Funeral” weerklinken, schalt zowaar een hartelijk herkenningsapplaus door de Marquee.

Editors zijn al een jaar lang hard aan het werken aan die doorbraak, en na drie uitverkochte concerten op rij in maart, was een tweede passage op Werchter de normaalste zaak van de wereld. Dit concert moest de bevestiging worden dat Editors een grote band wordt, maar vermoeidheid speelt de groep parten: we horen zanger Tom Smith af en toe te hard zijn stem forceren om zo diep te gaan (uit onze eerste hand: zo spréékt hij namelijk niet), en de groep rammelt songs als “All Sparks” en “Blood” snelsnel af. Pas in het laatste kwartier put de groep eindelijk kracht, en worden we alsnog omver geblazen met een heerlijk “Weight Of The World” en een intens als gewoonlijk “Fingers In The Factories”. Dan toch nipt gewonnen op punten, deze match.

Ooit werd Kings Of Leon in één adem genoemd met het Australische rockmisbaksel en one hit wonder Jet. Beiden maakten het puberale ongeinequivalent van sixties southernrock. De predikantenzonen zijn echter geëvolueerd naar een meer rauwe en doorleefde variant die live bijzonder intens klinkt, zo ook op het hoofdpodium van Werchter. Woedende rockers als “McFearless” en “Charmer”, het hitje “On Call” en oudere nummers als “Molly’s Chamber” en “The Bucket” werden enorm gretig ontvangen. Nog één uitstekende plaat en Kings Of Leon staat als headliner op Werchter. Geheel terecht overigens.

Gnarls Barkley: geleid door half mens, half stem Cee-Lo kreeg het publiek een uitstekende set voorgeschoteld, waarbij het voor het eerst echt uit de bol gaan was. Een hoogmis van de soul werd het, een surrogaat voor deze generatie die het eeuwig zonder een Wattstax of Otis Redding-optreden zal moeten stellen, waarbij het boeltje zo witheet voorgeschoteld werd dat de Marquee bijna wegsmolt. Beklijvend.

Veel volk ook voor het IJslandse spektakel op de Main Stage. Het was maar de vraag of Sigur Rós zo goed zou werken bij valavond als in de intense sfeer die eigen is aan de Marquee, maar de vrees was ongegrond: deze groep was nog maar eens overdonderend, adembenemend en gewoonweg onaards mooi. Ondersteund door een in wit gestoken blazerssectie en de dartele elfjes/wilde boerendochters van Amiina, bracht Jonsi’s breekbare falsetto de wei in betovering, waardoor het anders zo luidruchtige en beschonken Werchterpubliek zich opvallend stil hield: minimaal getetter, niemand die zich waagde aan een etherische crowdsurf of een IJslandse moshpit, maar vooral veel aandachtig geluister, in vervoering gebrachte fans en véél koppeltjes in innige omhelzing. Dit was zegevieren.

Aan Radiohead de taak om er nog een schepje bovenop te doen. Het blijft eigenlijk dé anti-festivalact, maar de koppige setlist en bezwerende muziek kunnen niet anders dan gedijen in deze setting: een donkere, weidse wei waarboven zo nu en dan een Boeing de lucht doorklieft. Goed twee uur lang was Radiohead hier even de beste band ter wereld, al leek niet elke festivalganger dat te beseffen. Nee, “Creep” hebben ze al enige tijd uit de setlist geweerd; slof maar naar de camping als het u niet aanstaat. Wij zaten ondertussen in hogere sferen, terwijl we een groep hoorden die volwassen is geworden, rustiger ook, en vooral comfortabel en zelfzeker over zijn muziek. Een uitgebreider verslag vindt u in het kadertje.

Terwijl we op de tonen van “Everything In Its Right Place” compleet betoverd de wei afstrompelden, deden we even het rekensommetje: de derde dag was er één met een teleurstellende middag, waarin vooral routine en sleur de overhand hadden, terwijl de avond soelaas bracht met drie geweldige wereldacts. En dat is al heel wat: wij blij.

Dag vier :: Een wilde nacht in de karaokebar

Het kan verkeren: “Op de laatste dag rustte God uit van al Zijn werk”, herinneren we ons uit de Bijbel, maar anno 2008 moeten de plaatselijke goden op de vierde en laatste Werchterdag nog aan de slag voor wat hun moment de gloire zou worden. Vooraleer dEUS het doek werpt over deze editie van Werchter mag ander goed volk als Grinderman en Beck nog een laatste keer zijn kunnen tonen. En ook Wij zagen dat het (soms) goed was.

Met de poppy break-upplaat Welcome To The Blue House leverde Millionaire-frontman Tim Vanhamel al een van de betere Belgische releases van dit jaar af en met single “Until I Find You” scoorde hij bovendien een vette Afrekening-hit. Het mag dus niet verbazen dat de tent ondanks het vroege aanvangsuur toch aardig volgelopen is. Vanhamel heeft een heuse band rond zich verzameld met onder andere Guy van Nueten op de toetsen en Sjoerd Bruil (Sukilove) op gitaar. Het viertal zet een evenwichtige set neer met enkele uitschieters. Van de naar Radiohead lonkende opener “Tell Me” over de door de volledige tent meegebrulde hitsingle “Until I Find You” tot het knappe “Take Me Home” met een onstuimige finale, alsof Vanhamel iedereen nog vlug er even aan wil herinneren dat hij naast toegankelijke popdeuntjes schrijven ook nog steeds ferm kan rocken. Sterk optreden.

“Once I was blind / but now I can see”; u kent deze tekstregel wel. De hippe jongens van Hercules And Love Affair versierden een plek op Werchter dankzij de onwaarschijnlijke radiohit “Blind” waarin Antony Hegarty zijn ziel blootlegt op de tonen van een machtige discodeun. Androgyne Antony is er niet bij in de tent van Werchter, zijn vocalen worden ingezongen door zangeres-danseres Nomi, voor de gelegenheid gehuld in een minuscuul en letterlijk vederlicht niemendalletje. Andrew Butler en de zijnen (naast twee zangeressen, een extra keyboardman, drummer en basgitarist ook nog twee trompettisten die de songs kleur gaven) mikken volop op de dansspieren en doen dat met wisselvallig resultaat. Door de iets te eentonige set wordt het enthousiasme in de tent al vlug getemperd en stroomt de Marquee zachtjes maar zeker leeg.

Opschudding in de tent wanneer de überhippe Mark Ronson, hij die o.a. de carrières van Amy Winehouse en Lily Allen lanceerde en onlangs nog als allereerste en voorlopig enige mens ter wereld een song van Bob Dylan mocht remixen, plots Kaiser Chief Ricky Wilson op het podium roept. Wilson wordt prompt een tamboerijn in de handen geduwd waarna Ronson en band het ultieme Kaiser Chief-anthem “Oh My God” inzetten. Kaiser-frontman Ricky Wilson is trouwens maar een van de vele gastmuzikanten die hun kunstjes mogen tonen tijdens Ronsons set die voornamelijk bestaat uit covers van bekende songs in een retrosouljasje. Onder andere Radiohead (“Just”), The White Stripes (“We Don’t Know What Love Is”), Britney Spears (“Toxic”) en The Zutons (“Valerie”) passeren de revue in een set die meer weg heeft van een wilde nacht in de karaokebar dan van een liveoptreden. Mark Ronson serveert een gesmaakte portie festivalmuziek zonder al te veel diepgang, veel fun maar weinig soul.

“Put your hands in the air! Say yeah! Fuck me; dit heb ik altijd al eens willen doen”: Nick Cave kan zijn lol niet op bij Grinderman. ’s Mans nieuwste project is vanmiddag het venijnig rockende monster dat The Bad Seeds al veel te lang niet meer geweest zijn. Het mogen dan al vaders op leeftijd zijn, Cave en de zijnen zorgen vanmiddag voor het stevigste concert.

Bij wijze van wederdienst mag diezelfde Mark Ronson, die ook de nieuwe plaat van de Kaiser Chiefs zal producen, later ook even meespelen op het hoofdpodium, waar de band het derde jaar op rij de weide probeert in te palmen met de intussen welbekende truken van de foor. Nog maar één nummer ver en zanger-crowdpleaser Ricky Wilson ligt al op de eerste rijen te rollebollen en handjes te schudden. Voorspelbaar als de pest maar het publiek lust er wel pap van. Wij zien vooral een clichématige performance die op muzikaal vlak maar magertjes uitvalt. Na de zoveelste makkelijk meezingbare jeugdbeweging-anthem à la “Oh Your God”, “Everyday I Love You Less And Less” of “Ruby” hadden we het wel gehad. Volgend jaar toch maar eens een andere groep een kans geven, Schuur?

Hoewel later zou blijken dat hij zondag ziek was, slaagt Beck (lang sluik haar, houthakkershemd, fluo zonnebril) er toch in om een puike set neer te zetten. De energieke rasperformer van weleer laat de neerdalende hemelbedden, cowboykostuums, turnoefeningen en poppenkasten deze keer achterwege en focust zich zonder veel boe of ba op de muziek. En de muziek is in dit geval een rommelige, rechttoe rechtane rockset waarin oudere hits als “Loser”, “Where It’s At” en “Sexx Laws” (in een nieuw, springerig arrangement) worden afgewisseld met nummers uit de tiende plaat Modern Guilt, die de dag na Werchter in de rekken ligt en waarvan vooral “Soul of A Man” en “Gamma Ray” vaste waarden voor toekomstige liveshows lijken te worden. Hoogtepunt (en het enige rustpunt in de set) was de door merg en been gaande Korgis-cover “Everybody’s Gotta Learn Sometime”. Het mag duidelijk zijn: ook zonder het showelement blijft Beck overeind.

“Tonight you turned this stage into the Main Stage!”, glundert een euforische Karl Hyde van Underworldna zoveel bijval. Terecht? Ja en neen. Want de sympathieke Britten stellen toch ietwat teleur. Jammer, want het concert begint veelbelovend met het ijzersterke openingskwartet “Rowla”, “Rez/Cowgirl”, “Spoonman” en vooral het heerlijk pompende “Two Months Off”. Eén en ander kan echter niet verhullen dat het tweede deel van de set weinig om het lijf heeft. Een inspiratieloze versie van “King Of Snake”, het obligate “Born Slippy”, een snel afgehaspeld “Jumbo” als onbegrijpelijke afsluiter: Hyde en Smith willen op veilig spelen, en gaan net daarom de mist in. Underworld heeft met Oblivion with Bells eindelijk nog eens een steengoede plaat gemaakt, maar daar is op Werchter niets van te merken. Hun beste worp by farSecond Toughest In The Infants, wordt bijna straal genegeerd. Nu hadden we helemaal niet verwacht dat Underworld een “Radiohead” zou doen. Maar iets meer risico had de groep wel gesierd.

Werchter afsluiten, het zou het moment suprème worden van Belgiës allerpopulairste rockband. dEUSlost de verwachtingen ruimschoots in met een setlist die nadrukkelijk op Vantage Point steunt, de nieuwste en populairste plaat, maar die ook de nummers die in het collectieve geheugen van iedere Vlaming gebeiteld zitten niet negeert. dEUS toont zich zondagavond een waardige afsluiter van “het beste festival ter wereld”.

Op de tonen van “Suds ’n Soda” dansen de jonge backingvocalistes van dEUS Werchter uiteindelijk naar zijn einde, terwijl boven hen het vuurwerk aan zijn apotheose begint. En zo was Rock Werchter 2008 ook: een editie die vuurwerk kreeg van de grote namen, maar waar dit jaar bitter weinig op te ontdekken viel. Het maakt niet uit, want zelden zagen we een R.E.M. zo in vorm, hadden we kunnen bevroeden dat Sigur Rós zo goed de strijd met het daglicht zou aankunnen en ondervonden we dat dEUS zelfs met een wat onevidente set gemakkelijk kon overtuigen. Werchter 2008 was een bijoutje.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een + 11 =