Tim Vanhamel :: Welcome to the Blue House

PIAS, 2008

De biografie van de 30-jarige Limburgse Antwerpenaar Tim Vanhamel
wordt elk jaar weer wat langer en vooral interessanter. In die mate
zelfs dat we hem gerust een muzikale duizendpoot mogen noemen.
Nadat hij als 14-jarige puber de band Sister Poo Poo oprichtte, bij
dEUS speelde en de gitaar omgordde bij Evil Superstars voor
het album ‘Love is Okay’, hield hij zijn eigen band Millionaire
boven het doopvont. Debuutplaat ‘Outside the Simian Flock’ maakt
ondertussen deel uit van ons nationaal rockerfgoed en ook opvolger
Paradisiac
hoort daar eigenlijk thuis.

Het succes van deze duivel-doet-al beperkt zich zelfs niet tot het
kleine Vlaanderen, want met Josh Homme van QOTSA bracht hij
onder de naam Eagles of Death Metal
een plaat uit waarmee hij rondtoerde in de Verenigde Staten.
Daarnaast experimenteert de heer Vanhamel er lustig op los met
zijprojecten zoals Coco Cola Met God en haalde hij zelfs de boekjes
door zijn relatie met topmodel Hannelore Knuts, aan wie we nu deze
soloplaat zouden te danken hebben, want ‘Welcome to the Blue House’
verhaalt onder andere over de breuk met deze schone.

Alhoewel deze persoonlijke plaat misschien de eerder donkerder
momenten uit het leven van Tim Vanhamel belicht, is het toch alsof
we uit elke song een sprankeltje zon voelen schijnen. Een gevoel
dat ons vooral in ‘Like a Fire’ overvalt, waar flarden van The
Beatles’ ‘Here Comes the Sun’ door ons hoofd fladderen, zij het dan
wel als een vogeltje met gebroken vleugels. Geen depressieve plaat
dus, zoals sommigen op basis van de geruchten zouden gedacht
hebben.

‘Until I Find You’, de eerste single en de openingstrack op deze
soloplaat is ondertussen al zo’n een succes dat zijn solocarrière
hem wellicht al meer airplay opleverde dan alle songs van
Millionaire samen. Wie kan het de samenstellers van de diverse
radioprogramma’s kwalijk nemen? Het nummer is dan ook een geniale
pop-rocksong die de barrières tussen beide genres zonder enige
moeite omverhaalt en is verder nog gezegend met een riff die ons
vooral deed denken aan ‘Yellow’ van die goeie ouwe Coldplay.

Wie dacht dat in navolging van de single alle songs op deze plaat
dezelfde toegankelijkheid zouden hebben, is eraan voor de moeite.
Zo is ‘Take Me Home’ op zich een heel persoonlijk en eerlijk
akoestisch nummertje met toch weer die typische weerhaakjes. In dit
geval wordt de song zachtjes ondergedompeld in de typische
stofzuigersound die bijvoorbeeld The Jesus & Mary Chain zo
typeerde. Niet echt een remedie om je song populair te maken bij
Jan en alleman, ons zal het alleszins worst wezen.

“Sometimes I can’t make it on my own”
, zingt Tim Vanhamel in
‘Sometimes I Wanna Run’, maar deze keer moeten wij hem hier terecht
wijzen, want dit album is het perfecte bewijs dat hij wel degelijk
in staat is om op zijn eentje een goeie plaat uit zijn mouw te
schudden. Het nummer in kwestie weet ons verder ook nog zo te
bekoren dat wij er spontaan ‘wow!’ bij kriebelden. De droge drums
die het nummer hier en daar onderbraken, zitten daar zeker voor
iets tussen, om nog maar te zwijgen van de fantastische
strijkers-finish, gearrangeerd door Reinhard Vanbergen van Das
Pop.
Ook ‘It’s Not the Drug’ weet ons aan de eindmeet volledig over de
streep te trekken en doet dat met enkele eenvoudige gitaarnoten en
een uiterst memorabele zanglijn. Wij proberen nu al tevergeefs af
te kicken!

‘Welcome to the Blue House’ mag dan het persoonlijke muzikale
dagboek van Tim Vanhamel zijn, het zijn nog altijd de songs op zich
die met de meeste prijzen gaan lopen. Samen met Luuk Cox (Shameboy)
slaagt Tim Vanhamel erin om ons dertien nummers lang in de ban te
houden met zijn zoemende gitaren, eerlijke popsongs en gouden
refreintjes. Deze plaat klinkt dan wel niet zo claustrofobisch als
de laatste van Millionaire, toch is ‘Welcome to the Blue House’
onmiskenbaar als een Tim Vanhamel-album, eentje dat wij dit jaar
nog vaak door onze speakers zullen jagen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + 20 =