Mus :: La Vida

Wie zijn plaat La Vida, of ’het leven’, doopt moet er ook iets zinnigs over te vertellen hebben. Levenservaring is daarvoor een niet onbelangrijke vereiste. Mus uit het Spaanse Asturië mag het er wat ons betreft na zeven jaar, met zijn vierde plaat op wagen.

Op het strand wemelt het van de toeristen. Ze komen van ver en ze willen mooi weer. Dat krijgen ze in Spanje, een land waar een trui het grootste deel van zijn carrière in een slaapkamerkast doorbrengt. Er is drank voor iedereen, er is zand voor iedereen en er is zon à volonté, zo stond het ook in de reisbrochure. Vakantie en onthaasting gaan hier hand in hand. Warm weer wiegt de mens in een zorgeloze roes, waarbij hij enkel nog occasioneel zijn portefeuille in de gaten moet houden. En met mooie woorden als tequila, sangria en paella kan er ook bij de menukeuze niets mis gaan.

Maar als de zon gaat liggen — elke avond, zo wil het de natuur — verdwijnen de toeristen en trekken ze zich terug in hun hotelkamers die hen er aan herinneren dat ze niet thuis zijn. Op dat moment stopt de molen der commercie en gaat de Spanjaard zijn eigen weg. In een bar ontmoet hij zijn vrienden en is hij zichzelf. Misschien wordt er gedanst, afhankelijk van de stemming en de traditie, misschien is de Spanjaard helemaal niet zo temperamentvol als de toerist denkt. Onze Spanjaard kan mijmeren in plaats van roepen en hij kan dromen in plaats van doen.

Fran Gayo en Mónica Vacas vormen onder de Mus-vlag een dergelijk koppel mijmerende Spanjolen. Ze laten de cha-cha-cha voor wat hij is en trekken zich liever terug in hun afgelegen studio om er weemoed en dromen in muziek te vertalen.
Op deze laatste plaat voorafgaand aan de sabbatical die het koppel na een korte tour zal nemen, vallen dromerige melodieën en rustig opgebouwde sfeerstukken voor het eerst echt mooi op hun plaats. La Vida hult zich in een sfeer van traagheid, die fel contrasteert met ons clichébeeld van Lloret de Mar.

De hoofdtoon op het album is daarmee gezet, maar Mus loopt niet in de val van de oeverloze herhaling en nu eens klinkt La Vida dromerig als een zuiders Trespassers William ("Per Tierres Baxes", het prachtige "Dulce Amor"), dan weer poppy als Galaxie 500 op z’n zachtst ("Cantares De Ciegu", "Una Sábana Al Vientu"). Vacas’ hese en warme stem is als een zuiderse bries die een exotische sfeer in de muziek binnensmokkelt. Ook zorgt ze ervoor dat het resultaat nooit steriel en koud gaat klinken. Met onder meer "Animas Del Purgatoriu" rakelt Vacas nu en dan zelfs traditionele invloeden uit de streek op, wat een meerwaarde voor het groepsgeluid betekent. Fran Gayo schetst, op zijn beurt, een nachtelijk kaal doch impliciet rijk landschap met zijn sfeervolle gitaargetokkel, met synthesizerklanken of een spaarzame drumcomputer. "Una Ventana Con Lluz" en de heerlijke titeltrack zijn daarvan de mooiste voorbeelden.

In "Perdieron Y La Tierra", aan het eind van de plaat, tapt de band uit een iets levendiger vaatje en vindt een eerste elektrische gitaar zijn weg naar het album. Een berustend "Una Estación Xelada" smoort echter elke drukdoenerij in de kiem en "Añada Pal Primer Mes" is ten slotte het slaapliedje waarmee Vacas en Gayo de luisteraar toestopt.

Mus heeft op La Vida het leven van haar rustigste zijde vastgelegd. Het duo schetst een leven en een omgeving die enkel zij zo kunnen horen zinderen. Nu neemt de band een (tijdelijkeè) rustpauze om te herbronnen. Met La Vida zijn we, na onder meer het mooie El Naval uit 2002, gelukkig nog een tijdje zoet en toch tellen we al de nachten die ons nog resten tot een volgend Spaans sfeerstuk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × drie =