Transformers





Michael
Bay

‘Transformers, more than meets the eye.’ Iedereen die
ook maar een beetje jeugd in de jaren tachtig heeft meegemaakt zal
zich dat memorabele introdeuntje met veel nostalgie kunnen
herinneren. Na een kwarteeuw winterslaap zijn de nobele Autobots
terug op aarde om ons hachje te redden van de verraderlijke
Decepticons en, veel belangrijker, de comateuze merchandiselijn
omtrent de transformerende robots nieuw leven in te blazen. Het
big-budgetproduct van de ooit zo populaire speelgoed-en
tekenfilmreeks zal in ieder geval geen enkel probleem hebben om de
koters en stiekem meegenietende vaders naar de cinemazalen en de
winkels te lokken. Odd couple Steven Spielberg
(enthousiast gejuich) en Michael Bay (zorgwekkend gefrons) hebben
van ‘Transformers’ een luide en bombastische
special-effects-blockbuster gemaakt die zijn primaire beloftes
nakomt: bitchass robots zo hard met elkaar laten knokken
dat je het verbrijzelde metaal en losgerukte beton als het ware
langs de oren hoort suizen vanuit de bioscoopzeteltjes.
Autobots, nevermind our crappy plot and roll out!

Ergens ver weg in de ruimte bevindt er zich een planeet genaamd
Cybertron. Daar liggen de Autobots (de goeie!) al lange tijd in
oorlog met de Decepticons (de slechte!). Ze strijden om de
Allspark, een soort intergalactische Rubik-kubus die leven kan
creëren en vernietigen. De Autobots willen het beschermen, de
Decepticons willen het gebruiken. Na een lange zoektocht naar het
mythische voorwerp, belanden beide robotclans op de aarde. De toon
wordt onmiddellijk gezet door een verrassingsaanval van de
Decepticons op een militaire basis in Qatar.

Aan de andere kant van de wereld probeert nerd Sam Witwicky
(new hot kid on the block Shia LaBeouf ) hopeloos
te scoren bij een meisje uit zijn klas (Megan Fox). Hij hoopt dat
hij met zijn nieuwe auto, een aftandse Chevrolet Camaro, haar
aandacht kan trekken. Iets wat ook lukt want zijn bolide blijkt een
fucking robot te zijn. Zijn naam is Bumblebee en hij dient
onder Optimus Prime, leider van de Autobots. Tegen wil en dank
raken Sam en zijn vriendinnetje verwikkeld in een allesbepalende
robot war die zal beslecht worden op onze aardkloot.
Bring on the robo-pain!

‘Transformers’ wacht een zware taak. Dit moet niet alleen
massa’s geld in het laatje brengen, maar ook een aanzet zijn tot
een potentiële franchise (de hoofdrolspelers hebben al getekend
voor drie films), een mogelijke nieuwe tekenfilmreeks lanceren en
de populariteit van het ‘Transformers’-speelgoed terug naar
ongekende hoogtes brengen. Zolang dat gladde product even
entertainend is als z’n commerciële strategieën uitgekookt zijn,
heeft niemand recht om echt te klagen. Behalve de verzuurde
cultuurpessimisten uiteraard. Maar is ‘Transformers’ ook de
ongeziene blast waarin de marketingjongens ons willen
laten geloven? Het antwoord is ‘soms’.

Als je hard genoeg zoekt tussen de bombastische kakofonie die
uit Michael Bay’s sluitspier ontsnapt (nog geen tien minuten bezig
of een stukje Qatar wordt al van de kaart geveegd), dan valt er
inderdaad wat lekkere geeky fun te vinden. Soms zit het
verknipt tussen de nanosecondemontage van de regisseur (welke robot
is nu op welke robot aan het meppen, Michael?), soms ligt het
bedolven onder misplaatste humor (sterf, Anthony Anderson, sterf!)
en soms moet je hard op de tanden bijten om Michael Bay’s fetisj
met het Amerikaanse leger te overleven (Jon Voight als Donald
Rumsfeld-lookalike!). Wanneer de rook over de chaos dan eindelijk
wegtrekt, dan zijn ze daar, de magische momenten, waar Bay’s
maniakale effectenexplosie het contact vindt met Spielbergs
menselijke en relativerende universum.

Eigenlijk zitten er twee verhalen (nou ja) op klungelige wijze
in ‘Transformers’ gepropt. Eentje dat werkt (onzekere jongen met
nieuwe auto die z’n meisje probeert te veroveren en ondertussen het
lot van de wereld moet redden) en eentje dat onmiddellijk richting
vuilnisbak had moeten verdwijnen (Amerikaanse militairen die zich
druk maken in naam van de heilige stars and stripes). Dat
eerste heeft een duidelijke Spielberg-feel, het tweede is
typische Bay-troep die weinig verschilt van ‘Armageddon’. Zolang
‘Transformers’ zich concentreert op de avonturen van antiheld Sam
Witwicky (Shia LaBoeuf moet meermaals de film redden met zijn
komische timing) is deze blockbuster luchtig, aandoenlijk en
amusant genoeg om z’n oppervlakkigheden, idiote plot en
hyperbooldialogen (‘No sacrifice no victory!’, geeuw) even
te doen vergeten. Het hoogtepunt van de film vindt trouwens niet
plaats op een gigantisch slagveld waar robots elkaar te lijf gaan,
maar in de achtertuin van Sam. Op een bepaald moment moet Sam
Witwicky de reusachtige Autobots verbergen voor z’n ouders en dat
levert een hilarische scène op met een vette ‘ja, we weten dat het
allemaal onnozel is’-knipoog. Wanneer Autobot Ironhide, de
wapenspecialist, voorstelt om de ouders van Sam te vernietigen
omdat ze teveel aan het zagen zijn, is ‘Transformers’ heel even de
beste blockbuster van het jaar. Héél even.

De meesten zullen uiteraard de zalen bestormen voor de
spectaculaire actie waar Michael Bay toch zo graag mee uitpakt. En
het moet gezegd zijn, ondersteund door grensverleggende CGI- en
geluidseffecten laat Bay verrukkelijke eye candy uit zijn
computers rollen. De fotorealistische robots zijn verbluffend om te
zien bewegen (de schorpioenachtige Scorponok in de woestijn!),
transformeren (Megatron die zich in een fractie van een seconde tot
opgefokte jet omplooit, suh-weet!) en interageren met de
acteurs (de band tussen Sam en Bumblebee had meer ruimte verdiend).
Het laatste half uur is een overdonderend duel in de straten tussen
de Decepticons en de Autobots waar bussen in tweëen worden
gekliefd, gebouwen worden afgebroken en veel metaal op elkaar
inbeukt (zie de robots een halve autostrade afbreken tijdens een
vechtpartij). Te chaotisch om constant van te kunnen genieten, maar
als een over de top actiebonanza is dit het walhalla voor
actiejunks en translovers.

Voor de rest biedt ‘Transformers’ een slordige mixed
bag
aan. Een leuke John Turturro wint de ham als cartooneske
geheime agent terwijl poppemie Megan Fox weinig meer is dan het
enige snoepgoed voor de ogen dat niet uit pixels is opgetrokken.
Dat kleine maar venijnige mormel van een Decepticon (Frenzy voor de
fans) is cool, maar een urinerende Autobot grenst dan weer teveel
aan de platvoerse smaak van Bay. En waarom moeten er weer een
dozijn shots van in slowmotion neerdalende helikopters in z’n film
zitten? Nergens voor nodig, man. Eigenlijk werpt Bay alles wat hij
kan en nog veel meer op het scherm in de hoop dat het allemaal
blijft plakken. Als ongeveer de helft blijft hangen, dan zal het
veel zijn.

‘Transformers’ is luid, dom, onevenwichtig en rommelig. Maar in
naam van Optimus Prime en alles wat buitenaards cool is, de robots
en special effects zijn kaak-op-de-vloer-indrukwekkend. Van een
Michael Bay-film gebaseerd op speelgoed uit de jaren tachtig mag je
eigenlijk niet veel meer verwachten. Wat ‘Independence Day’ voor de
nineties was, dat is ‘Transformers’ voor de
noughties. Fans zullen kwijlen, de rest zal de neus
ophalen. Pick your side.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − negen =