Ikiru




Akira Kurosawa heeft dertig films gemaakt in zijn leven, maar
het waren er drie die zijn hele carrière gedefinieerd hebben. Drie
films, bijna back-to-back gemaakt aan het begin van de
jaren vijftig, die hem populair maakten bij een internationaal
publiek en die voorgoed beschouwd zouden worden als drie van zijn
beste en belangrijkste films. In 1950 was er het structureel en
narratologisch vernieuwende ‘Rashomon’, in 1954 zijn
ultieme samoerai-epos ‘Seven Samurai’ en daar
tussenin, in 1952, ‘Ikiru’, zijn gevoelige registratie van de
laatste dagen van een stervende man. Deze serie van drie
voltreffers werd enkel onderbroken door ‘The Idiot’ in 1951, één
van Kurosawa’s grootste missers, maar in die mate is de tijd dan
toch goed geweest voor de regisseur – ‘The Idiot’ is onderhand
vrijwel volledig vergeten, wat overblijft zijn de triomfen die hij
scoorde. ‘Ikiru’ wordt vooral herinnerd als een film waarin
Kurosawa erin slaagde om een verhaaltje te vertellen dat uit eender
welk sentimenteel stationsromannetje had kunnen komen, en er via de
stijl, structuur en onderliggende thema’s toch veel méér van te
maken dan dat.

Takashi Shimura (na Toshiro Mifune wellicht Kurosawa’s
belangrijkste terugkerende acteur) speelt Kanji Watanabe, een
functionaris voor openbare werken die te weten komt dat hij aan
maagkanker lijdt. Hoewel zijn arts hem probeert te overtuigen dat
het maar een lichte maagzweer is (“probeert niets te pikants te
eten”), weet Watanabe dat hij nog maar enkele maanden te leven
heeft, en van de weeromstuit begint hij enkele harde conclusies te
trekken over zijn leven. Zijn job bestaat enkel uit het afstempelen
van papieren, waarmee hij de verantwoordelijkheid over de dossiers
continu overdraagt aan anderen – hij doet eigenlijk niets en
bereikt niet veel, buiten dan dat de stapel papieren waarachter hij
gebogen zit aan het einde van de dag van z’n bureau verdwijnt.
Thuis woont hij samen met zijn zoon en schoondochter, die hem
beiden beu zijn en niet liever willen dan samen verhuizen naar een
moderne woning. Watanabe realiseert zich dat zijn leven leeg is –
wanneer hij sterft is er niemand die hem echt zal missen en niets
dat hij zal achterlaten. Na enkele depressieve omzwervingen door
het nachtleven besluit hij om, voor hij het hoekje omgaat, dan toch
één ding te realiseren: hij wil een stel moeders helpen om van een
ziektenverspreidend moeras een speelplein voor hun kinderen te
maken.

Dat klinkt als de plot van de eerste de beste melodramatische
draak, maar Kurosawa vermijdt de gebruikelijke sentimentele
valkuilen van het genre. De belangrijkste stap die hij onderneemt,
is dat hij de ziekte van Watanabe als een louter individueel
gegeven behandelt. In een Amerikaanse film zou er eindeloos over
zijn kanker gesproken worden: het hoofdpersonage zou zich naar zijn
vrienden en al dan niet vervreemde familie richten en proberen om
met hen in het reine te komen. Maar Watanabe niet: hij vertelt
nauwelijks iemand dat hij ziek is – zijn zoon, schoondochter en
collega’s hebben geen idee waarom hij zich plots zo vreemd gedraagt
en kunnen er ook niet naar raden. Watanabe wil enkel voor zichzelf
de bevestiging dat zijn leven de moeite waard was – de zingeving
waar hij naar op zoek is, is zuiver individueel, ze staat niet in
het teken van zijn omgeving. Dat houdt in dat er geen melige
monologen komen, geen grootse dramatische confrontaties, maar enkel
de innerlijke pijn van de hoofdfiguur – een personage dat zwijgt,
voor zich uitstaart en stilletjes afziet.

Takashi Shimura’s vertolking is daarbij van het grootste belang:
hij loopt continu een beetje voorover gebogen, alsof hij altijd
gebukt gaat onder het gewicht van zijn ziekte. Hij spreekt zachtjes
en aarzelend, maakt zinnen niet af, raakt niet uit zijn woorden.
Hij lijkt zichzelf continu te verontschuldigen voor zijn eigen
aanwezigheid. Kurosawa en Shimura hengelen nooit openlijk naar onze
sympathie – we moeten maar om Watanabe geven omdat hij toevallig
een mens is. Zwak, kortzichtig, bang en ziek, maar wél een mens.
Enkele prachtig georchestreerde scènes geven ons een glimp in z’n
emoties en die moeten dan dienen als toegangspunt voor het publiek.
De mooiste daarvan is er één waarin Watanabe een danszaal bezoekt
en aan de pianist vraagt om een deuntje van vroeger te spelen. De
tekst gaat: “Het leven is kort / Word dus verliefd, lief meisje
/ Terwijl je lippen nog rood zijn / En voor je koud wordt / Want er
zal geen morgen zijn.”
Watanabe begint zachtjes mee te
zingen, en de andere klanten vallen helemaal stil terwijl ze naar
hem kijken: een man die rock bottom heeft bereikt, maar
daar misschien de middelen tot zijn emotionele redding vindt.

De structuur van ‘Ikiru’ is radicaal: Kurosawa verdeelt zijn
film netjes in twee delen: een eerste waarin we Watanabe volgen tot
op het punt waarop hij beslist om het speelpark te bouwen, en dan
een tweede dat zich vijf maanden later afspeelt. Watanabe is dood
en zijn familie en collega’s proberen zijn karakter te doorgronden
tijdens zijn wake. Ze zijn er nog steeds niet zeker van of Watanabe
wist dat hij ging sterven – waarom heeft hij dan niets gezegd? En
waarom was het park dan ineens zo belangrijk? In dit laatste
segment krijgen we verschillende percepties te zien op een leven
dat we in het eerste deel van dichtbij te zien hebben gekregen. De
vraag is dan of het mogelijk is om lessen te trekken uit andermans
leven zonder zelf dergelijke ingrijpende dingen mee te hebben
gemaakt. Kurosawa lijkt niet helemaal overtuigd te zijn dat dat
kan, hoewel het einde ambigu is. Zijn de overige bureaucraten,
hoezeer ze Watanabe’s lot ook doorgronden en betreuren, niet
gedoemd om toch terug te verdwijnen achter hun berg papier? Of
kunnen ze er toch iets van leren?

Kurosawa plaatst dat alles in de context van een veranderend
Japan, dat kort na de Tweede Wereldoorlog volop verwesterde – die
tegenstelling wordt sterk uitgespeeld in de relatie tussen Watanabe
en zijn kinderen, die naar Engelse liedjes luisteren en in een
“modern huis” willen wonen, en in de verstikkende bureaucratie waar
hij deel van uitmaakt. Vanuit die bureaucratie zal uiteindelijk de
harteloze corporate culture groeien waar Kurosawa nog
dikwijls tegen te keer zou gaan (‘The Bad Sleep Well’,
‘High and Low’).
Watanabe behoort letterlijk tot een uitstervend ras en zijn inzet
voor het speelplein kan dan ook gezien worden als een laatste daad
van rebellie tegen de moderne tijd die hem langzaam maar zeker aan
het vermoorden is.

‘Ikiru’ bevat wondermooie scènes (de sterfscène van Watanabe in
zijn speelplein is ronduit magisch), heeft een veelgelaagd scenario
en een centrale acteerprestatie die weinig minder dan verbluffend
is. Maar tijdens het tweede deel kun je moeilijk ontkennen dat het
tempo enigszins uit de film gaat en ook het gebruik van een
afstandelijke vertelstem is niet helemaal succesvol, omdat het ons
uit het verhaal haalt. Helemaal zonder gebreken is ‘Ikiru’ dus
niet, maar het blijft een warm, diepmenselijk verhaal over een man
die moet proberen om vrede te vinden met zichzelf en zijn
leven.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − veertien =