Pirates of the Caribbean :: At World’s End




Er is wellicht niemand die de verzamelde filmjournalistiek
zodanig confronteert met z’n eigen zin of onzin als Jerry
Bruckheimer. De producer van twijfelachtige stukjes cinema als ‘Top
Gun’, ‘Armageddon’, ‘Pearl Harbor’ en nog
veel meer blockbuster crap is ondertussen al meer dan 25
jaar lang actief in wat hij zelf ongetwijfeld “de industrie” noemt,
al meer dan 25 jaar lang worden zijn projecten steevast met de
grond gelijk gemaakt door critici, en al meer 25 jaar lang hoeft
hij zich daar geen bal van aan te trekken, omdat vrijwel al zijn
films toevallig wél dikke hits worden. Bruckheimer heeft er een
carrière van gemaakt vrolijk z’n middenvinger op te steken naar
iedereen die beweert waarde te hechten aan goede smaak of
kwaliteit, en het publiek volgt hem zowat overal waar hij gaat. Wat
is zo’n filmcriticus dan nog? Een eenzame stem van rede of gewoon
die éne zeikerd die zich staat te vervelen op een feestje waar alle
anderen zich geweldig amuseren? Dat zijn het soort vragen dat je je
wel eens stelt terwijl je je staat te scheren, waarna je naar
‘Pirates of the Caribbean: At World’s End’ gaat kijken en alle
twijfels ogenblikkelijk worden weggevaagd: je hebt de verdomde
plicht om on the record te gaan en te zeggen dat dit geen
goeie cinema is. Was de eerste film nog een luchthartige,
tongue in cheek-avonturenprent waar ongelooflijk mee te
lachen viel, zijn we nu, met deel drie, definitief verzand in
pompeuze, melodramatische dikdoenerij.

Het verhaal navertellen zonder de hulp van een
powerpointpresentatie en minstens drie borrels zou onmogelijk zijn,
maar laat ik alvast een aanzet geven: in de tweede film maakten we
kennis met Davy Jones, een soort kruising tussen een octopus
(tentakels), Bill Nighy (stem) en een BMW-bestuurder (slecht
karakter). Na een ongelukkige liefdesaffaire sneed Jones zijn hart
uit z’n lijf en sindsdien is hij de kapitein van een magisch schip
dat de doden naar hun laatste rustplaats moet brengen. Wie het
kistje met Jones’ hart in z’n macht heeft, heeft de controle over
de zee. De plot van ‘At World’s End’ komt er uiteindelijk op neer
dat àlle hoofdpersonages dat hart willen hebben, elk voor zijn
eigen doeleinden. Will Turner (Orlando Bloom) wil er de vrijheid
van zijn vader mee kopen (lang verhaal, de moeite van het vertellen
niet waard); Jack Sparrow (Johnny Depp) wil het gebruiken om onder
zijn bloedschuld bij Jones uit te komen en zelf onsterfelijk te
worden en Lord Cutler Beckett (Tom Hollander), van de Oost-Indische
Compagnie wil het gebruiken om alle piraten definitief uit te
roeien. Elizabeth Swann (Keira Knightley) en de wonderlijk herrezen
kapitein Barbossa (Geoffrey Rush) zitten er gewoon middenin en
lopen rond alsof ze effectief iets wezenlijks bijdragen aan het
verhaal.

Al die personages verraden elkaar, sluiten onderlinge
overeenkomsten, chanteren elkaar, verraden elkaar dan nóg eens,
enzovoort, en zo verder, tot het je al lang geen bal meer kan
schelen wie nu eigenlijk aan wiens kant staat, zo lang ze maar een
beetje voortmaken dat het gedaan is. Regisseur Gore Verbinski en
scenaristen Ted Elliot en Terry Rossio sleuren er nog vanalles bij,
inclusief een reeks zilverlingen en een mystieke madam die Calypto
heet en op simpel verzoek zo’n vijftig meter groot wordt. En ik
maar denken dat de Calypto een dans was die ze in foute salsabars
doen.

Het leukste aan de originele ‘Pirates’, ‘Curse of the Black
Pearl’
, was dat het hele ding in elkaar was gezet met een
ontspannen mentaliteit die continu leek te willen zeggen: “laten we
ons gewoon amuseren”. Maar die tijd is voorbij – ‘At World’s End’
bevindt zich voortdurend op het randje van de hysterie, alsof
Verbinski bang is om ook maar één seconde lang het volume van z’n
film een klein beetje naar beneden te draaien. Ontspannen?
Hypernerveus kom je daar buiten, ja. ‘At World’s End’ duurt maar
liefst 168 minuten, maar vindt nergens de tijd voor een kalm
momentje waarin de personages even tot leven kunnen komen. Van
begin tot eind sjezen we van de éne actiesequens naar de andere, en
wanneer het wapengekletter dan toch heel even verstomt, gebruikt de
regisseur die tijd om met handen en voeten zijn plot duidelijk te
maken. Er zitten zoveel verwikkelingen, intriges en veranderende
loyaliteiten in de film dat Verbinski, ondanks de lengte ervan,
nergens de ruimte vindt om z’n prent te laten ademen. Hij is
voortdurend bezig met steeds krampachtiger pogingen om alles maar
uitgelegd te krijgen, tussen de high octane-actiescènes
door. Het gevolg: zo lang je aan het kijken bent, heb je de indruk
dat je het allemaal wel min of meer begrepen hebt. Maar vraag
iemand de dag erop hoe het nu juist in elkaar zat en de kans is
groot dat die persoon héél diep zal moeten nadenken voordat hij een
antwoord kan geven.

De actie zelf is uiteraard spectaculair (mag ook wel als je er
pakweg 300 miljoen dollar tegenaan gooit), maar net als al de rest
in de film is het tevéél. Een scheepsgevecht in het midden van een
maalstroom is knap. Jack Sparrow die aan een touw door de lucht
slingert en bovenop een mast een duel uitvecht met Davy Jones is
leuk. Een boot die ondersteboven wordt gekanteld, gewoon door met
de hele bemanning van links naar rechts te lopen, is grappig. Maar
dat blijft maar komen en blijft maar komen, bijna drie uur lang,
tot de overkill zo acuut wordt dat je spontaan zin krijgt
om een dutje te doen en tegen je gezelschap te zeggen: “Maak me
wakker als er nog eens iets nieuws gebeurt”. Soms is more
gewoon more. Bruckheimer houdt ervan om zijn films te
vergelijken met ritjes in de roetsjbaan, maar je kunt van zo’n
roetsjbaan behoorlijk misselijk worden als je er drie uur aan een
stuk in zit.

De pogingen tot humor zijn soms geslaagd (Keith Richard als de
pa van Johnny Depp, yeah!), soms wat al te makkelijk (het
schattige aapje) en soms gewoon pijnlijk (telkens wanneer Jack
Sparrow verschillende incarnaties van zichzelf ziet opduiken, gaat
het finaal de mist in). Depp en Rush spelen hun rollen alweer met
alle overacting die daarvoor nodig is (hoor de r-en rollen en de
klinkers uitrekken), maar de situaties waarin ze verzeild raken
weten steeds minder vaak écht op de lachspieren te werken.

‘At World’s End’ is nog steeds goed in de dingen waar Hollywood
nu eenmaal goed in is – de speciale effecten zijn geweldig, de sets
zien er sfeerrijk uit (vooral die in Singapore aan het begin) en de
fotografie is vlekkeloos (die zonsondergangen, die maalstroom, dat
éne flatterend belichte been van Keira Knightley tijdens de
eindscène!). Maar dat alles kan niet verhinderen dat de prent
gelijktijdig teveel is en niet genoeg. Teveel actie, teveel
intriges, teveel bombast, teveel tadadaa-muziek. En nadat
je bijna drie uur later weer rechtstaat, ga met een verschrikkelijk
hol gevoel naar buiten: is het dat dan? Een enkele goeie
actiescène, een paar leuke grapjes (tussen de vele flauwe), een
handvol knappe beelden? Krijgen we echt niet méér naar huis dan
dat?

Ach ja, Bruckheimer (noch één van de andere betrokkenen) zal er
niet van wakker liggen wat eender welke criticus denkt eens ‘At
World’s End’ z’n eerste miljard heeft binnengehaald. Net zoals ik
nooit geloof dat eender welke aardbewoner nog van de film zal
wakker liggen eens die over een paar jaar één van de meest bestofte
dvd’s uit z’n collectie is geworden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × een =