Rose Kemp :: A Hand Full of Hurricanes

Als dochter van Maddy Prior en Rick Kemp van het ongelukkig
genaamde collectief Steeleye Span kreeg Rose muziek met de pollepel
ingegeven. Op haar vijftiende bracht ze met onder andere haar
moeder onder de naam ‘Maddy Prior and The Girls’ het a capella folk
album ‘Bib and Tuck’ uit om zich nadien te fixeren op de uitbouw
van een solocarrière. De eerste worp daarvan was het poprock-album
‘Glance’ (2003), een bewuste vlucht van de folk opdat haar naam
niet steeds in verband met die van haar moeder gebracht zou worden.
Aangezien het resultaat voor haarzelf toch niet je dat bleek,
neigde ze voor de daaropvolgende ep meer naar straightforward rock,
een pad dat ze verder volgde voor haar tweede album ‘A Hand Full of
Hurricanes’. De inspiratie voor deze generieke switch kwam er ook
deels door de samenwerking met lokale helden SJ Esau en Max Milton
in het experimentele trio Jeremy Smoking Jacket.

Met ‘Little One’ toont Kemp meteen al aan dat ze zich bij het
serieuzere werk beter in haar element voelt dan op de meer
afgelikte songs van haar eerste plaat. Het lijkt dan ook alsof ze
zichzelf aanspreekt: ‘Don’t be afraid to grow out of your
clothes little one, it has only begun’
. Deze noot komt meteen
haar geloofwaardigheid ten goede, die toch onder vuur komt te
liggen bij dergelijke overstap. Het is dan ook enkel ‘Violence’
waarop nog een popinvloed in de aanloop te bespeuren valt, totdat
de track een onverwachte maar welgekomen wending neemt door plots
een smerig gitaarsalvo af te vuren. Op het vlak van variatie zitten
we met deze plaat gebeiteld: hard en zacht wisselen elkaar af en
ook in de nummers zelf wordt gespeeld met tempowissels. Geslaagde
stijlexperimenten als het onderkoeld weemoedige ‘Orange Juice’ en
het lichte marsritme in ‘Sing our Last Goodbye’ dragen hier alleen
maar toe bij. Voor elk wat wils dus en genoeg om een hele plaat
lang te blijven boeien. Deze genotscurve krijgt dan ook enkel in
het midden even een dip. De opeenvolging van het langgerokken
‘Metal Bird’, het al te vrijblijvende ‘Skin’s Suite’ (dat nochtans
veelbelovend duister begint) en de meligheid van de a
capella-misser ‘Sister Sleep’ last hier even een
snooze-moment in.

Hoe goed de nummers zich onderling van elkaar ook kunnen
onderscheiden, toch wordt de originaliteit beknot door de
overduidelijke links met andere artiesten. Enkele van de zachtere
nummers plaatsen Kemps stem tussen die van Anouk en Sarah McLachlan
en onder meer ‘Morning Music’ doet aan Cat Power denken,
maar blijft te lief om de vergelijking te doorstaan. De meest
prominente referentie is echter die aan Shannon Wright in het
steviger werk. De doorleefde, soms bewust overslaande stem van Kemp
schept niet alleen een overduidelijke vocale alliantie, ook qua
opbouw en muzikale effecten word je als luisteraar gedwongen de
link op te merken.

Op zichzelf staand klinkt ‘A Hand Full of Hurricanes’ best
verfrissend. Enkele mindere tracks maken dat het geen hindernisloos
parcours wordt, maar de variatie op het album maakt veel goed.
Bovendien bezit Kemp een aangename stem waarmee ze zowel het lieve
meisje als het vat vol venijn kan spelen. Enkel de
intermuzikaliteit zorgt er voor dat de nasmaak iets fletser dan
verwacht uitvalt. Deels ongewild (aan haar stemklank kan ze zelf
weinig veranderen) meet ze zich hier met enkele namen van wiens
niveau ze toch nog een eind verwijderd is. Voorlopig nog geen
podiumplaats dus, maar geef haar nog wat tijd en ze geraakt er
wel.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + 15 =