Eragon




Iedereen die ooit het hemelse genoegen heeft gesmaakt om les te
geven op een middelbare school, zal u kunnen vertellen dat er twee
soorten pubers bestaan. Je hebt de luidruchtige ettertjes van wie
je tegenwoordig niet meer mag zeggen dat het luidruchtige ettertjes
zijn, maar enkel dat ze adhd hebben. En dan heb je de sombere,
teruggetrokken, zwijgzame, aan terminale existentiële angst
lijdende, “zal ik ooit van de grond komen”-gloomy
adolescents,
die over het algemeen iets minder ergerlijk zijn,
gewoon omdat ze minder decibels produceren. Niet dat ik verder iets
tegen pubers heb. Christopher Paolini, schrijver van de roman
‘Eragon’, lijkt me volop in de tweede categorie te vallen. Op zijn
vijftiende begon hij aan zijn fantasy-epos te schrijven, om dan op
z’n 17de het boek te publiceren als het eerste deel van
de ‘Inheritance Trilogy’ (deel twee, ‘Eldest’, is al verschenen, op
deel drie is het met klamme handjes afwachten). Paolini zal vast
menige eenzame pubernacht hebben verdreven met het pennen van z’n
drakenverhaal, maar ergens had een verantwoordelijke volwassene
tussenbeide moeten komen om te vermijden dat het ook effectief werd
uitgegeven, laat staan verfilmd. De fantasieën van een
vijftienjarige zijn vast erg fascinerend voor die vijftienjarige,
maar de rest van de wereld heeft er vaak maar weinig boodschap
aan.

Dit weinig creatieve knip- en plakwerkje laat zich het best
omschrijven als de plot van ‘Star Wars’ overgeplaatst
naar de setting van ‘Lord of the Rings’.
Check this out: we bevinden ons in Alagaesia, een soort
van Midden-Aarde, dat ooit vredig leefde onder de leiding van de
Drakenrijders, een soort Jedi. Toen besloot echter een boze
drakenrijder, Galbatorix (John Malkovich die hier zo’n beetje de
evil emperor uit ‘Star Wars’ belichaamt), om de macht over
te nemen. Hij vermoordde alle draken en hun berijders (hallo,
Anakin Skywalker) en installeerde zichzelf als koning om vervolgens
een schrikbewind over Alagaesia uit te voeren.

Jaren later is er een verzet tegen Galbatorix op gang gekomen,
en de moedige Arya (Sienna Guillory) steelt in hun opdracht een
bijzondere steen van de koning (min of meer zoals Princess Leia
ooit de plannen van de Death Star stal). Ze wordt gepakt door de
boze tovenaar Durza (Robert Carlyle in de Darth Vader-rol), maar de
steen wordt gevonden door simpele boerenzoon Eragon (Ed Speleers).
Eragon, die in navolging van Luke Skywalker door zijn oom wordt
opgevoed omdat zijn vader mysterieus is verdwenen, ontdekt dat de
steen eigenlijk een drakenei is. Wanneer dat uitkomt en een
onmogelijk schattig draakje tevoorschijn floept, roept hij de hulp
in van Brom (Jeremy Irons), een voormalige Drakenrijder die nu een
kluizenaarsbestaan leidt, verscholen van de Stromtroopers…
excuseer, de Ra’Zac van Galbatorix. Enige gelijkenis tussen het
personage Brom en Obi-Wan Kenobi van ‘Star Wars’ lijkt me niet
geheel toevallig. Samen met Brom en zijn draak (stem van Rachel
Weisz), besluit Eragon het verzet op te zoeken en Princess Leia…
excuseer, Arya te redden.

Yup, zoals dat hoort in een goeie fantasyfilm is het
weer een festijn aan silly namen en pompeus geneuzel over
eenvoudige jongens die uitverkoren zijn door het lot om de wereld
te veranderen. De meeste verhalen in dit genre vertonen wel wat
gelijkenissen met elkaar, gewoon omdat je nu eenmaal altijd in
hetzelfde kleine vijvertje aan archetypen zit te vissen. De slechte
koning, de wijze oude ridder, de jonge krijger die volwassen wordt
en ga zo maar door… Je ziet die elementen steeds terugkeren via
plotconventies die al teruggaan tot ‘Beowulf’ (en voor wie eraan
moest twijfelen: ‘Beowulf’ is méér dan een film met Christopher
Lambert). Maar niets van dat alles doet afbreuk aan het
overduidelijke en ronduit schaamteloze plagiaat dat Paolini pleegde
met ‘Eragon’. Niet alleen is de basislijn van de plot overgenomen
van ‘Star Wars’,
maar ook de hele structuur en zowat alle personages zijn afkomstig
van George Lucas z’n ruimtesprookje. Vrijwel elke scène in deze
film kan rechtstreeks worden teruggevoerd naar een equivalent in
die eerdere prent. Hoe het mogelijk is dat Paolini nog geen
rechtzaak aan z’n broek heeft gekregen, is mij een raadsel.

De setting waarin dat alles plaatsvindt is dan weer de Witte
Producten-versie van ‘Lord of the Rings’, met
tovenaars, draken en (hoewel we die niet echt te zien krijgen)
schijnbaar ook elven en dwergen – die zullen dan wel in het
onvermijdelijke vervolg hun opwachting maken. De personages wonen
in Middeleeuws aandoende hutjes, paalwoningen en kastelen, die
echter dermate fantasieloos in elkaar werden geflanst dat je bijna
zou denken dat de regisseur (nobele onbekende Stefen Fangmeier)
gebruik maakte van alle setontwerpen die Peter Jackson ooit afwees
als “te banaal”. De Efteling biedt een overtuigender fantasiewereld
dan deze film.

Banaliteit kenmerkt ook de dialogen, die continu streven naar
een verhevenheid die het gejatte verhaal nooit kan dragen. We
krijgen pareltjes zoals daar zijn: “Je wapenrusting is klaar voor
je,” “Grootse veldslagen woeden om je heen”, “Een leider kies je
voor zijn hart” en “Laat hem sterven met trots!”. Fangmeier en co
strooien de hoogdravende clichés lustig in het rond, maar meer dan
enkel clichés worden ze nooit. Vooral niet omdat er eigenlijk geen
personages die naam waardig te bespeuren zijn. Of dat Fangmeiers
fout is of die van Paolini, laat ik in het midden. We krijgen
nergens het gevoel dat er een connectie tussen de personages
bestaat, zoals die wél duidelijk te merken was tussen Luke en Ben
Kenobi, of tussen hem en Princess Leia. De personages hier zijn
enkel figuurtjes die een plot moeten dienen en verder op geen
enkele manier interessant dreigen te worden.

Hoofdrolspeler Ed Speleers maakt zijn debuut als Eragon, en
verraadt hier ongeveer evenveel charisma als het gemiddelde
vetplantje. Hij beweegt en spreekt met een houterigheid die
suggereert dat hij schrik heeft dat de camera hem zal bijten.
Jeremy Irons, van wie je toch zou denken dat hij na ‘Dungeons and
Dragons’ z’n lesje wel geleerd zou hebben, doet het ditmaal kalmer
aan en is beter als Brom, maar het blijft zonde van de man z’n
talent. Robert Carlyle gaat over de top als booswicht Durzel en
leading lady Sienna Guillory ligt zowat de hele film lang
zieltogend op een bed, zodat je over haar acteercapaciteiten
nauwelijks iets te weten komt.

De special effects zijn dan weer wél oké, maar who cares? Dit is
een volledig bij elkaar gejat, van elke creativiteit of fantasie
gespeend gedrocht dat hooguit gebruikt kan worden als dankbaar
onderwerp voor een freudiaanse analyse. Een verhaal over een jongen
die de hele tijd met z’n draak zit te spelen, geschreven door een
vijftienjarige? Jaja…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 + zes =