The Lost City




Eind jaren tachtig, begin jaren negentig was Andy Garcia eventjes
de Latin lover du jour in Hollywood, met optredens in succesvolle
films als ‘The Untouchables’,
‘The Godfather Part III’ en
‘Jennifer 8’. Sindsdien is de Cubaanse hengst echter een beetje in
de vergetelheid geraakt – grote rollen krijgt hij nauwelijks nog,
en wanneer we hem dan toch op een cinemascherm zien, is het om tien
seconden lang met een dreigende blik door een gang te lopen in
‘Ocean’s Eleven’ of ‘Twelve’. Aangezien hij van andere
regisseurs schijnbaar nog maar weinig te verwachten heeft, besloot
Don Garcia om het gewoon zelf te doen. Vergeet ‘Lady in the Water’ – hét egoproject van
het jaar is ‘The Lost City’, een nostalgisch epos over Cuba tijdens
de revolutionaire periode van 1958 tot begin jaren zestig. Garcia
regisseert, produceert, speelt de hoofdrol én schreef zelfs de
muziek voor dit tomeloos ambitieuze drama, waarin hij nooit om een
groot woord of een verheven concept verlegen zit. ‘The Lost City’
is namelijk een ode van de regisseur aan het land waar hij geboren
is, aan zijn familie, aan de democratie (jawel!) en bovenal aan
zichzelf.

Garcia speelt Fico Fellove, de eigenaar van een goed lopende
nachtclub in het Havana van ’58. Dictator Batista is aan de macht,
het Amerikaanse geld stroomt binnen, de maffia heeft het grootste
deel van de hotels en casino’s in handen en zo draait de wereld
rustig rond. Al bij al is het leven goed voor Fico en de zijnen,
maar er broeit een revolutie – de communisten onder leiding van
Fidel Castro en Ché Guevara laten steeds meer van zich horen en
weten ook binnen Fico’s familie enkele harten en zielen te winnen.
Zijn beide broers besluiten zich bij de rooien aan te sluiten, tot
groot ongenoegen van Fico en zijn vader.

Dan, op oudejaarsavond 1958, vlucht Batista en valt Cuba in handen
van Castro. De communistische revolutie is een feit, maar brengt
enkel miserie, corruptie en onderdrukking met zich mee. De familie
Fellove wordt bruusk uit elkaar gescheurd door de politieke
gebeurtenissen en Fico ziet uiteindelijk geen andere uitweg meer
dan emigratie naar de VS.

Dat alles is slechts de basislijn van een familiekroniek die zich
afspeelt over ongeveer twee à drie jaar, en ook zo lang lijkt te
duren. Gaandeweg krijgen we alle voor de hand liggende,
soap-achtige plotwendingen die je van zo’n film kunt verwachten:
luidkeels geschreeuwde conflicten tussen de kapitalistische en
communistische broers (twee keer raden welke van de twee altijd in
alles gelijk heeft), tragische sterfgevallen, zelfmoorden en
liefdesaffaires met je schoonzuster. Het lijkt wel alsof Garcia elk
verhaal dat hij ooit van Cubaanse vluchtelingen in Miami heeft
gehoord, in één film heeft willen proppen. Het gevolg daarvan is
dat ‘The Lost City’ erg overladen gaat aanvoelen. Zoals ze het in
het Engels alweer zo mooi kunnen zeggen: a little melodrama goes
a long way.
Ofwel: tegen de tijd dat je drie belangrijke
personages hebt afgemaakt, een revolutie hebt doen plaatsvinden en
je je hoofdpersonage verliefd hebt doen worden op een vrouw die
overloopt naar de kant van de communisten, wordt het stilaan tijd
om een beetje gas terug te nemen. Trop is teveel.

Nog een nadeel van die overdosis aan melodramatiek, is dat de
historische achtergrond van de film daardoor wel érg summier wordt
behandeld. Dat het Batista-regime corrupt is en zich inlaat met
Amerikaanse gangsters wordt niet ontkend, maar er wordt wel erg
vluchtig overheen gegaan. Over het algemeen kunnen we uit het
eerste uur van ‘The Lost City’ concluderen dat Cuba in die tijd een
lang, ononderbroken salsa- en mambofeestje was, waarin de hitsige
muziek vierentwintig uur op vierentwintig ten hemel steeg en
eigenlijk niemand te klagen had. Vervolgens kwam Castro aan de
macht, en die vond eigenhandig de armoede, het geweld en de
onrechtvaardigheid uit. Batista was misschien corrupt, maar onder
zijn beleid swingde Havana tenminste nog als de beesten. Onder
Castro mocht je niet eens meer saxofoon spelen, want dat was een
kapitalistisch instrument. De hond.

Verder reikt de politieke analyse van Garcia niet. De revolutie
zelf krijgen we enkel te zien via een paar korte nieuwsbeelden van
toen (als je met nauwelijks tien miljoen dollar een film van deze
omvang in elkaar wil steken, moet je nu eenmaal ergens besparen),
en de regisseur lijkt verder absoluut niet geïnteresseerd in het
leveren van een doordacht politiek statement. Batista goed, Castro
slecht, en dat is dan dat. Gezien de hoeveelheid Cubanen die over
de loop der tijd in een rubber bootje naar Miami gedobberd zijn wil
ik mezelf niet wijsmaken dat het leven onder Castro zo geweldig
amusant is, maar voor een film die zo immens ambitieus is als ‘The
Lost City’, is dit soort van simplisme onvergeeflijk. Het
persoonlijke drama van de personages wordt nergens in de context
geplaatst van een overtuigende geschiedenisles, wat nochtans wél de
bedoeling was.

‘The Lost City’ was duidelijk een liefdeswerk van Garcia: hij deed
zowat alles zelf en hij maakte de film op een fenomenaal klein
budget (tien miljoen is echt een schijntje, zeker naar Amerikaanse
standaards). Maar een groot nadeel van dat gebrek aan geld is dat
de regisseur een film maakt over Cuba, waarin hij frustrerend
weinig van dat land kan laten zien. Geld om het Havana van de jaren
vijftig te laten herleven was er niet, en dus krijgen we vooral erg
veel interieure sets te zien, en velden die zich overal en nergens
zouden kunnen bevinden.’The Lost City’ gaat over Havana, maar
Havana speelt niet mee. Om toch een archetypisch Cubaanse sfeer in
z’n film te smokkelen, bedient Garcia zich dan maar van een
constante overvloed aan salsanummers – we krijgen salsa- en
mambomuziek tot onze oren ervan bloeden, alsof de Buena Vista
Social Club collectief een fikse dosis speed heeft achterover
geslagen en nu bezeten de soundtrack volkweelt. Nu kan ik dat soort
muziek best nog wel waarderen, maar hier wordt het na een tijdje
gewoon irritant. Telkens wanneer Garcia van één verhaallijn naar
een andere wil overschakelen, laat hij maar wat van een dramatische
mimiek voorziene muzikanten opdraven.

Misschien stond de hele thematiek Garcia wel té nabij om hem toe te
staan er een evenwichtige film over te maken. Afstand schept immers
duidelijkheid, en die afstand heeft hij niet. Maar dat wil niet
zeggen dat er helemaal geen goeie dingen in ‘The Lost City’ zitten.
Hier en daar krijgen we sterke scènes, zoals die waarin Garcia en
Bill Murray (als zijn sidekick, die constant sarcastische
commentaar geeft op de situaties) elk vanachter hun raam neerkijken
op de nachtclub. “Als je niet weet waar je ergens zit, dan zit je
ergens in het midden van je eigen verhaal,” concluderen ze, in een
scène die briljant is in z’n surrealisme. Bovendien is Garcia een
beter acteur dan regisseur, en weet hij de (nochtans veel te lange)
143 minuten van de film zeer capabel te dragen. Druppels op een
hete plaat, misschien, maar de acteurs en de occasionele mooie
scène redden ‘The Lost City’ toch van de totale mislukking.

Andy Garcia had hier duidelijk heel wat te bewijzen, maar het enige
waar hij mij echt van wist te overtuigen, was dat hij nog steeds
fantastisch acteerwerk in zich heeft. Het regisseren laat voorlopig
nog te wensen over.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − achttien =