The Wind That Shakes the Barley




Iedereen die ooit een bewijs nodig had dat leeftijd niks zegt, moet
maar eens kijken naar de carrière van Ken Loach; filmmaker,
onverbeterlijke rooie en keetschopper extraordinaire.
Zeventig is de man dit jaar, maar, vals gebit of niet, als het erop
aankomt zijn zijn tandjes nog steeds vlijmscherp. ‘The Wind That
Shakes the Barley’, winnaar van de Gouden Palm in Cannes, is een
gepassioneerd historisch-politiek epos over de Noord-Ierse opstand
in de jaren 1920. En hoewel Loach al een heel tijdje
seniorenkorting krijgt op het openbaar vervoer, is hij erin
geslaagd om een gedreven film te maken die brandt van de nauwelijks
verholen woede en verontwaardiging. Zeventig jaar oud en mighty
pissed off
: dàt is Ken Loach.

Cillian Murphy speelt Damien O’Donovan, een zachtmoedige dokter die
van plan is om zijn dorp in Noord-Ierland te verlaten om in een
ziekenhuis in Londen te werken. Zijn vrienden, bijna allemaal
Iers-nationalisten, proberen hem te overhalen om te blijven en mee
te vechten in hun onafhankelijkheidsstrijd, maar Damien wil toch
vertrekken. Het is pas wanneer hij ziet hoe Britse soldaten een
treinconducteur in elkaar rammen, dat hij van gedachte verandert.
Damien sluit zich aan bij het IRA, onder leiding van zijn eigen
broer Teddy (Padraic Delaney). Langzaam maar zeker komt er iets in
de aard van een georganiseerd verzet op gang, dat uiteindelijk
leidt tot het Anglo-Irish Treaty van 1921: de Britse troepen
vertrekken uit Noord-Ierland, maar het land hoort wel nog steeds
bij Groot-Brittannië. Nu komt het tot een burgeroorlog tussen
degenen die het verdrag accepteren en degenen die er niks van
willen weten – de Ieren die vroeger zij aan zij vochten, staan nu
plots met getrokken wapens tegenover elkaar.

Ik ben niet zeker of er ooit wel zoiets heeft bestaan als “subtiele
politieke cinema”. Alle politieke films die ik me kan herinneren,
hebben hun punt er vrij nadrukkelijk ingeramd – dat is eigen aan
het genre, denk ik: het is moeilijk om én gepassioneerd, én subtiel
te zijn. Ken Loach trekt zich hier van een voorzichtige aanpak
alvast niks aan: tijdens het eerste uur toont hij ons hoe Britse
soldaten schijnbaar willekeurig razzia’s plegen op Ierse
huishoudens. De mannen worden afgerammeld, de vrouwen vernederd, en
op die manier kweken ze zelf het klimaat voor tegenaanvallen van de
mensen die ze onderdrukken. Er laat hier geen Brit z’n gezicht zien
zonder dat hij begint te brullen, meppen of schieten. Een
schandelijk ééndimensionele afschildering van die soldaten, heeft
de Britse pers al geroepen, en ik veronderstel dat je ze daar niet
helemaal ongelijk in kunt geven. Maar die scènes zorgen wel voor
een aantal huiveringwekkende momenten (na George Clooney in
‘Syriana’ krijgen we alweer een personage dat een paar vingernagels
kwijtraakt, en het is nog steeds een verschrikkelijk zicht), én
bovendien laten ze Loach toe om een parallel te trekken met de
huidige situatie in Irak. De regisseur heeft zijn mening over dat
conflict nooit onder stoelen of banken gestoken, en de shock and
awe
-tactieken van het Britse leger hier laten zich maar al te
makkelijk vertalen naar Amerikaanse troepen die Iraakse dorpen
binnenvallen.

Vanaf het tweede uur van de film wordt die anti-Britse mentaliteit
ietwat genuanceerd: eerst krijgen we de beste scène, waarin Damien
verplicht wordt om een kameraad te executeren wegens verraad. Voor
het eerst krijgen we de donkere zijde van de pas opgerichte IRA te
zien – de moordenaars van moordenaars zijn ook moordenaars,
tenslotte. Daarna zien we hoe de groep steeds verder uit elkaar
brokkelt en worden we verplicht om ons af te vragen waar
nationalisme eindigt en extremisme begint – een vraag die
behoorlijk relevant is, tegenwoordig. De Britten vertrekken, maar
vervolgens keren de Ieren zich gewoon tegen zichzelf, zodat je je
kunt afvragen wat nu het wezenlijke verschil is.

Die poging tot nuancering is er dus wel, maar vergis u vooral niet:
erg veel liefde is er tussen Loach en het Britse leger niet te
vinden. De regisseur vertelt in de eerste helft van ‘The Wind’ het
verhaal van een buitenlandse macht die de plaatselijke bevolking
onderdrukt en zoals hij dat in beeld brengt, zou je bijna kunnen
stellen dat de enige goeie Britse soldaat een dode Britse soldaat
is. Voor de rest kon ik me over die politieke eenzijdigheid weinig
zorgen maken, omdat het zo goed werkt als filmisch drama: ‘The
Wind’ is tijdens z’n eerste negentig minuten opgetrokken uit
ijzersterke, soms brutaal gewelddadige scènes. De folterscène, de
training met het pakje sigaretten, een razzia waarbij Damiens
liefje en haar moeder hard worden aangepakt terwijl hij enkel vanop
een afstand kan toekijken… Subtiel? Nog bij lange na niet.
Effectief? You betcha.

Dat mokerslag-effect wordt versterkt door de bijzonder sfeervolle
fotografie van Barry Ackroyd, die erin slaagt om het ‘Angela’s
Ashes’-effect te vermijden. Dat effect bestaat erin dat het in
films over Ierland altijd regent en dat elke straat en elk huis
eruit ziet als een identieke schooiersbuurt in Polen. Ackroyd gaat
aan die clichés voorbij en weet van zijn Ierland een zeer tastbare
plek te maken, doordrongen van een soort verloren schoonheid. Dit
is een land dat mooi zou kùnnen zijn, als ze maar eens ophielden
het plat te branden en kapot te schieten.

Ook de acteerprestaties helpen: Cillian Murphy draagt de hele film,
zonder zich ooit te bezondigen aan showy acteermomenten. Hij
blijft het hele verhaal lang rustig en introspectief, zonder zijn
charisma kwijt te spelen. Loach heeft overigens de gewoonte om
versprekingen en kleine fouten van zijn acteurs in de film te laten
zitten, wat de levensechtheid van de teksten erg helpt. In het
echte leven breken mensen continu af als ze spreken, om dan opnieuw
te beginnen of een woord te herhalen. In films doen mensen dat
normaal gezien nooit.

‘The Wind’ is 90 minuten lang bijzonder krachtig drama, tot Loach
het in extremis toch nog nodig vindt om nadrukkelijk te beginnen
prediken. In een poging om een fair en genuanceerd portret van het
Anglo-Irish Treaty te schetsen, last hij lange scènes in waarin de
personages in een kringetje zitten te debatteren – té lange scènes.
Bovendien voelt Loach zich ook verplicht om de Katholieke Kerk een
veeg uit de pan te geven. Wat zijn goed recht is, maar het wordt er
aan de haren bij gesleurd in één enkele scène aan het einde. Dé
vuistregel voor dit soort cinema is: show, don’t tell. Tijdens de
laatste 35 minuten begint Loach plotseling te vertellen in plaats
van te tonen, wat resulteert in een afknapper.

Maar ga toch maar kijken: anderhalf uur lang is ‘The Wind’ immers
een klein meesterwerkje, emotioneel indrukwekkend, goed geacteerd
en prachtig gefilmd. Oké, de film eindigt dan wel in mineur, maar
dit blijft een krachtig stukje cinema, woedend en oprecht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 4 =