Julian Curwin :: The Tango Saloon

Eenieder die ooit tangodansers aan het werk gezien heeft of — beter nog — zelf gedanst heeft, weet hoezeer deze muziek geworteld is in een wereld waar het woord macho synoniem staat met man. Zonder glimmende en opbollende spieren, maar met een blik die zelfs de gevaarlijkste hond jankend met de staart tussen de benen ervandoor laat gaan, dwingen deze heren vrouwen zonder enige moeite in een onderdanige positie.

Traditie staat dan ook hoog in het vaandel van menig tangoliefhebber maar nu en dan durft iemand buiten de lijntjes te kleuren zonder dat aan de waarde van de muziek zelf geraakt wordt. Nadat Astor Piazzolla in de jaren vijftig het genre een nieuw elan gaf onder de noemer ’Tango Nuevo’, werd in de jaren negentig de stijl opnieuw geïnterpreteerd door groepen als Gotan Project die al snel beschouwd werden als een nieuwe stroming, ’Nuevo Tango’ geheten.

Met The Tango Saloon plaatst Julian Curwin zich binnen vele tradities tezelfdertijd. De biografie en de titel verwijzen weliswaar naar een mix van tango met door Morricone geschreven soundtracks bij (spaghetti-)westerns, toch is The Tango Saloon eclectischer maar ook klassieker dan dat. Terwijl sommige songs dan ook op een "klassieke leest" geschoeid zijn, lijken andere nummers nauwelijks uitstaans te hebben met tango, zozeer zijn ze vervormd.

"Overture" start haast kig met een overbekend tangoritme. Met "Tango Saloon 1" is het evenwel de eerste keer echt raak, de melancholische sfeer die opgeroepen wordt door een accordeon krijgt versterking van blazers, gitaren en piano waarna gevarieerd wordt op eenzelfde melodielijn die doorheen de hele song als rode draad fungeert. "Tango Saloon 2" is van een heel andere orde: ditmaal is een opzwepend ritme de leidraad waarrond de verschillende instrumenten hun dingen mogen doen.

Met "Libertango", het enige nummer met zang, en "La Calle 92" wordt grootmeester Piazzolla treffend geëerd. De jazzy loungesfeer in "Carol" is hoogst intrigerend te noemen en wijkt als eerste van het tangopad af. "Upon A Time" (Svetlana Bunic) keert terug op de schreden en gooit en passant wat swing in het geheel. Ondanks de grappige titel is ook "March Of The Big Shoe" een pracht van een nummer dat een — uiteraard — marcherend ritme laat onderbreken door een meer contemplatieve melodie waarbij vooral tuba en piano allesbepalend zijn.

"The Little Plane That Could" (Sam Golding) neemt zichzelf dan ook niet zo ernstig en start als een verre neef van het "Loveboat-theme vs kermisdeuntjes" alvorens het noorden kwijt te raken, volledig te ontsporen om dan toch een veilige (licht)haven te bereiken. "The Man With The Bongos" plaatst door de spacy funkinslag het nummer op een seventies blaxploitation-soundtrack, verwordt halverwege dan toch tot een tangosong, speelt even leentjebuur bij Ennio Morricone en eindigt na een nieuwe funkuitstap in een hectische freak-out. Bevreemdend maar ook licht fantastisch.

"Still I Cannot Do The Tango" (Shenton Gregory) heeft niet meer nodig dan een gitaar en een piano om de juiste sfeer op te roepen. "Formaggio" start ook ietwat tongue-in-cheek maar ontspint zich al snel tot een klassieker in wording. Het vullertje "Intermission" klinkt te veel als het broertje van "Overture" om echt te boeien maar het korte "Scusi" bewijst dat op nauwelijks een minuut een verhaal verteld kan worden.

The Tango Saloon leunt dichter bij de Tango Nuevo aan dan bij de Nuevo Tango maar zal door zijn eigenzinnigheid toch moeilijk vrienden maken onder de strengere en conservatieve tangomacho’s. Maar wie in de strakke en strenge blik van haar danspartner evenwel een lichte flikkering ziet, mag er zeker van zijn dat de andere partij The Tango Saloon weet te smaken. Ook het ware machismo kan immers niet zonder een milde vorm van ironie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien + zeventien =