Avril




De Fransen hebben misschien de wereldbeker niet gewonnen, maar
films maken kunnen ze nog steeds als de beste én vooral aan een
hels tempo. Wekelijks komen er in België gemiddeld drie Franse
films uit. De meeste zijn alleen in Brussel en Wallonië te zien en
komen dus nauwelijks ter ore of oge aan Vlamingen, maar het aanbod
blijft toch indrukwekkend. Opvallend hierbij is het grote aantal
debuutfilms (subsidies blijken het geheim), want ook ‘Avril’ is de
eersteling van regisseur Gérald Hustache-Mathieu (u zou deze naam
anders zeker onthouden hebben). Een film met niet bepaald de meest
uitnodigende synopsis: een naïef nonnetje ontdekt de geneugten des
levens. Nonnetjes die levenslustig worden, ik moffel mijn
schreeuwerige associatie met sister Whoopi die haar keel openzet
krampachtig onder mijn filmzitje en laat me verrassen. En gelukkig
maar: meneer Moustache maakt indruk op me. ‘Avril’ is de reden
waarom de woorden ‘aangenaam’ en ‘verrassing’ in de eerste plaats
zijn beginnen samenklitten.

Avril (Sophie Quinton) woont al heel haar leven in een zeer
conservatief klooster in een godverlaten Frans dorp. De nonnen van
vandaag mogen dan misschien via e-mail met God converseren, de
zusters uit ‘Avril’ lijken eerder weggelopen uit een schilderij van
Vermeer: ze zijn nog van vòòr de oude stempel. Alleen stilte,
gehoorzaamheid, noeste arbeid en een grenzeloos geloof staat bij
hen op de spijskaart. Logisch dat Avril uitgroeit tot een heilig
boontje en moeder overste redelijk snel beslist dat ze rijp is om
haar eeuwige geloften af te leggen. Hiervoor moet ze haar oude
bestaan letterlijk begraven om zuiver aan haar nieuwe leven als non
Marie-Ange te beginnen. Als laatste beproeving zal ze twee weken in
afzondering doorbrengen in een kapel. Zuster Bernadette (Miou-Miou)
heeft echter andere plannen en vertelt Avril de waarheid over haar
verleden: ze heeft nog een tweelingbroer. Geschokt door die
ontdekking besluit Avril haar tijd in quarantaine te gebruiken om
hem te zoeken. Hij blijkt op vakantie aan zee, een heel eind van
het klooster weg. Gelukkig heeft God al eens een wonder in petto en
ontmoet ze een jongeman (Pierre) die zo lief is om haar heel de weg
te brengen. Verlegen en bescheiden als ze is, vindt ze dat het
allemaal wat snel gaat. Met Pierres reactie – “ik zal traag rijden”
– is de toon snel gezet en de twee rijden de gezapige zon tegemoet.
Op het strand ontmoet ze haar broer David en Jim, diens
homovriendje. Vanaf dan maakt de film visueel de overstap van
bidprentjes naar vakantiekiekjes. Avril wil graag haar bezinning
voortzetten, ze probeert te vasten, te bidden, zich enkele uren per
dag af te zonderen, maar dat is niet de manier om je broer na
twintig jaar te leren kennen en je kan je wel voorstellen dat haar
religieuze striktheid botst met de losbandigheid van de drie
jongens. In haar woedt de strijd tussen geloof en vrijheid en
beetje bij beetje stapt ze van al haar principes af.

Een ietwat riskante opzet, “de seksuele openbaring van een non”.
Geloven in God lijkt een anachronisme dezer dagen, want waar is er
in heel Europa nog zo’n gelovig deesje als Avril te vinden?
Gelukkig verlucht Hustache-Mathieu het verhaal ook met andere
thema’s (liefde, vriendschap,…) en met de nodige humor. De
wereldvreemdheid van Avril levert grappige situaties op. Als ze
bijvoorbeeld eindelijk een badpak aandurft en het trots aan haar
drie jongens komt tonen, wordt pijnlijk duidelijk dat nonnetjes
zich niet scheren. Maar de situaties worden nooit grotesk, daarvoor
toont Hustache-Mathieu te veel respect voor zijn personages. De
regisseur weet overal een perfect evenwicht te bewaren tussen
onzinnigheden (“als de teller op 333 km staat, mag je elkaar
tutoyeren”) en to-the-point zingevingen (“de enige negen
maanden die we samen waren, was in de buik van een vrouw die we
niet eens kennen”), tussen verhaal en sfeerbeelden.

De twee dankbare locaties (het klooster en het strand) leveren
fraaie beelden op: die in het klooster zijn net bidprentjes die tot
leven komen en de scènes aan het strand zou je als het kon zo als
geanimeerde postkaart naar je vrienden sturen. Vooral wanneer David
zijn passie voor zanger Christophe aan zijn zus probeert duidelijk
te maken (haar kennis van muziek beperkt zich allicht tot Soeur
Sourires Dominique) en de drie boys haar de tekst van
‘Aline’ aanleren, is geweldig. Alle scènes waarin de vier jonge
acteurs samen optreden, knetteren. Er ontstaat een broeierige,
gezellige sfeer die doet denken aan ‘L’Auberge espagnol’ en je zou
zo in het scherm willen kruipen om mee te doen. Hoofdrol Sophie
Quinton (‘Miss montigny’ en ‘Qui a tué Bambi ?’) is een prachtige
actrice : ze straalt iets lieflijks en naïefs uit en ook Nicolas
Duvauchelle (bekend van ‘Les corps impatients’ en blijkbaar ook
model voor Hugo Boss) zet geen evidente rol neer: Pierre is wat
afwachtend en terughoudend, maar toch ook aanwezig genoeg om Avril
te verleiden.

De regisseur heeft duidelijk ook een zwak voor kleurensymboliek (en
dat is nog zwak uitgedrukt). Avrils ontdekkingen gaan gepaard met
kleuren en tactiele ervaringen. Haar metamorfose wordt extra in de
verf gezet door het gebruik van de metafoor van haar tekentalent.
Opgesloten in het klooster was ze al erg behendig met een penseel
en schilderde ze al stiekem roze boeketten in haar bijbelschriftje,
nu bloeit ze als het ware zelf open als een bloem en ziet haar
leven er fleuriger uit. Ze leert met Pierre pigmenten mengen in een
heerlijk “Girl with a pearl earring”-moment en valt voor de
getatoeëerde tekeningetjes op zijn armen. De camera als penseel, de
acteurs als levende kleuren, het beeldscherm als een levensgroot
doek. Als ultieme bevrijding van haar nonnenpij en bijbehorende
seutenleven, rolt ze zich uiteindelijk lekker in haar nakie in het
zand. (Die Fransoosjes toch: blijkbaar kan je je nooit helemaal
vrij voelen in Frankrijk als je je niet als een poedel in het zand
hebt gerold of tenminste je in de roze verf hebt gedoopt. Maar wie
hoort u klagen?) Misschien iets te doorzichtig allemaal, maar het
is de eerste keer dat er iets gebeurt in het kind haar leven, dus
give her a break.

De enige hoofdzonde die Hustache begaat, is het overdreven einde.
Hij kan de evenwichtige sfeer blijkbaar toch niet tot het einde
volhouden en gaat naar de climax van het verhaal toe dan ook nogal
pijnlijk over de emotionele top. Hun echte moeder moet per sé nog
opduiken en de vier geven een soort van modern art
performance
in de kapel ten beste, die waarschijnlijk niet in
het SMAK zou misstaan, maar waar de symboliek wat al te dik op
ligt. Ook de karikaturale afschildering van moeder-overste – die
toch wel geen wraakzuchtig wicht blijkt zeker- had minder gemogen,
maar wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.

‘Avril’ is door de band genomen een gezellig en grappig
zomerfilmpje over vier jongeren die zich lekker amuseren. Het is
waarschijnlijk geen lang leven beschoren in de cinema, maar dat
geeft mijn taak des te meer nut: ga kijken en vermenigvuldigt u!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig + 5 =