WERCHTER 2006 :: Slogans voor Yves Leterme

Verrassingen waren er weinig te noteren, maar geen enkele groep ging op Werchter voor minder dan degelijk. En passant bewezen Sigur Rós en Mogwai dat ook meer alternatieve genres dit soort megafestivals met de vingers in de neus aankunnen. Zonovergoten en met nauwelijks uitschuivers: het zat Werchter dit jaar erg mee.

Dag één: Wedgie!

Tien maal in’t lang
Bij tien namen hadden we een sterretje gezet. Headliner, nieuwkomer, buitenbeentje: daar verwachtten we net dat beetje extra van. Negen keer kregen we wat we wilden, één keer dropen we mismoedig het hoofd schuddend af:

 

Werchter duurt al een paar jaar vier dagen, en toch is die donderdag nog altijd niet meer dan een aanloopdag. Maar daartussen zit deze keer wel een straffe uitschieter die twee suffe headliners ruimschoots compenseert. Het spel zit in elk geval op de wagen, de boel is vertrokken. Enola is klaar voor deze lange rit.

Kiezen we voor een New Yorkse orthodoxe rabbijn (Matisyahu) die zich aan reggae laaft, of zullen we toch maar opteren voor enkele blanke jongetjes (Atmosphere) die oude hiphophelden eren maar ons tot op heden stoïcijns koud lieten? De keuze is snel gemaakt: de warme zon en een rits schaars geklede vrouwen zouden de tijd wel doden als mentale voorbereiding op de grondleggers van de nu-metal. Want dat blijft tot op zekere hoogte een smet op het curriculum van Deftones. Samen met Korn zette de groep halverwege de jaren negentig immers de lijnen uit voor dat genre.

Chino Moreno en de zijnen hebben er echter zin in: de plooien die de frontman veroorzaakte met het oprichten van zijproject Team Sleep zijn gladgestreken en een nieuw album is in de maak. De set klokt en stoomt terwijl Moreno zijn magistrale stemgeluid over de weide laat galmen. De pseudo-“greatest hits”-set put netjes uit de vier platen en besluit met het hysterische “Seven Words” uit debuut Adrenaline. Wij onthouden dat a) Deftones nog steeds weet te rocken als de beesten en b) tot op kniehoogte opgetrokken witte sokken wel cool ogen als je een ruige latinokid bent maar dat ze voor ons, blanke en magere jongetjes, vooral een uitnodiging lijken voor een gevreesde BIR. En dat loopt met dit warme weer echt niet gemakkelijk.

Voor wie Deftones iets te nu, iets te metal, iets te latino, iets te luid, iets te ernstig of gewoon iets te Deftones vindt, is er in de Marquee gelukkig Kaizers Orchestra, een miskende klepper van formaat. Het Noorse sextet slaagt er immers in de temperaturen ver de hoogte in te drijven met zijn bonte mengelmoes van balkanpunk, reguliere rock (van Nick Cave tot Morphine) en gipsy-invloeden. Geruggensteund door conga’s, olievaten en een roadie met Elvis-allures zweept dit excentrieke gezelschap de tent wel erg vroeg op tot totale feeststemming. De frontman gilde “love at first sight” en ettelijke duizenden konden dit alleen maar beamen.

Ondertussen opnieuw voor de Main Stage… Een eclips, vraagt u? Neen hoor, Tool treedt op. De man met de hamer heeft niet minder dan twee compagnons ingeschakeld: wie niet bezwijkt onder een loden zon, wordt zonder pardon weggemaaid door deze muzikale bulldozer. Er wordt een muur van progrock opgetrokken, waartegen Maynard James Keenan, die voor onze ogen in een reptielachtig wezen transformeert, opklimt.

De gevoelige en bedeesde jongen in (mvs) maakt nog snel een aantekening in zijn poëzieboek en vlucht de tent in, waar Death Cab For Cutie de harten van pubermeisjes laat smelten. De zon mag nog zo heet zijn, om een hart te laten smelten is meer nodig dan verzengende hitte. Een bende brave indiekids met brilletjes en goeie songs bijvoorbeeld. Benjamin Gibbard is nog steeds geen sterke zanger, maar de groep smijt zich met genoeg goesting in de set om het publiek al van bij een massaal meegezongen “Title And Registration” uit zijn hand te laten eten. “Eat this, Tool”, grijnst Gibbard Keenan terug naar de helleputten met de sterke singles “Soul Meets Body” (yep, de hele tent “padapadapapa”-de gezellig mee) en “Crooked Teeth”. En toch overheerst het gevoel dat Death Cab nooit helemaal klaar zal zijn voor dit soort grote bedoeningen. Daarvoor is dit iets te weinig een livegroep.

In zijn oneindige wijsheid plaatst ’de Schuer’ daarna Manu Chao Radio Bemba Sound System en Damian “Jr. Gong” Marley tegenover elkaar. Het is het bekende verdeel-en-heers: je zult het maar aanzien dat de verenigde geitewollensokkendragers eventjes de wereld zouden verbeteren. Neen: scheid de reggaeliefhebbers van het pogolustige volkje en hou ze zo rustig. Het lukt Manu Chao op weinig overtuigende wijze, zoals u elders op deze pagina’s uitgebreider leest.

Ondanks de vele eetkramen is er rond de weide in de verste verte geen typisch “Fish & Chips”-kraam te bekennen. De lads die The Streets meebrachten blijven op hun honger zitten, het publiek kan daarentegen het buikje vol smullen. Mike Skinner was op Pukkelpop in 2004 zo straalbezopen dat zijn hele set in het water viel, dus hij weet dat hij iets goed te maken heeft. Met de hulp van een band en zijn maatje Fat Leo bouwt de Brit een indrukwekkend feestje waarbij het publiek geregeld opgeroepen wordt tot vertrouwen. De laatste keer dat wij ons blindelings op iemand verlieten, konden we drie dagen niet meer zitten (bir!) maar dat is een ander verhaal… Het publiek laat zich evenwel volledig inpalmen door een Skinner die scherp staat. Voor een lad is een belofte geen loos begrip en is een woord een woord. “Word!”, dus.

Eigenlijk hebben Red Hot Chili Peppers twee songs: een funky trage, en een funky rappe. Vanavond krijgen we ze in gelijke delen geserveerd en gebeurt het al eens dat we denken “Hé, ze begonnen hun set toch al met “Scar Tissue”?” terwijl Frusciante eigenlijk “Californication” aan het inzetten is. We hebben hun beproefde formule om punkfunk en rock tot een ratjetoe te mengen met andere woorden stilaan een beetje gehoord. Als Anthony Kiedis er gewoontegetrouw vocaal weer een slag naar slaat, is het duidelijk dat de liefde over is. Een volle wei denkt er voorlopig nog anders over en schudt ontgoocheld het hoofd als bisnummers “Give It Away” en “Under The Bridge” door technische problemen van de setlist verdwijnen.

En dus doet dat publiek zelf maar de verdwijntruc tijdens afsluiters Black Eyed Peas. Twee jaar geleden stond het gezelschap veel vroeger op de dag, ditmaal zijn ze strategisch laatste zodat man en muis niet en masse zouden vertrekken. Sommigen houden het inderdaad een song langer vol dan anderen, maar de weide druppelt snel leeg terwijl het hiphopcollectief zijn show brengt. En dan kun je zeggen dat het een show is om U tegen te zeggen — de groepsleden hebben wel degelijk talent te over — het voelt vooral aan als schaamteloos poen scheppen. Het beeld van zangeres Fergie die haar borsten eens goed schudt, zegt het allemaal: tits ’n asses for the masses. Dit was routine die niet op een festival thuishoort, maar in een TMF-programma.

Legendarisch DJ Roger Sanchez mag nog de Marquee in vuur en vlam zetten, wij maken een eerste balans op. Donderdag was de dag van hiphop, rap en aanverwanten maar kende ook zijn gitaargeweld en als witte raven daartussen balanceerden de nerds van Death Cab For Cutie en de freaks van Kaizers Orchestra. Werchter startte als de karikatuur van een Amerikaanse high school, maar los van de vele wedgies die we te incasseren kregen, hoort u ons daar niet echt over klagen.


Dag twee :: De jonge jaren van God

Tien maal in’t lang
Bij tien namen hadden we een sterretje gezet. Headliner, nieuwkomer, buitenbeentje: daar verwachtten we net dat beetje extra van. Negen keer kregen we wat we wilden, één keer dropen we mismoedig het hoofd schuddend af:

 

Nieuw is het niet, maar dit jaar valt het wel bijzonder hard op: Werchter en alternatief passen niet noodzakelijk meer in dezelfde zin. Dit jaar hebben Scapa en Bikkembergs hun mooie witte schoentjes bevuild om ook op de Werchterweide hun intrede te maken, en in de verte menen we zelfs even een Burberry-bikini te ontwaren onder bijpassende Gucci-zonnebril./

Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat ’de Schuer’ stilaan de laatste scherpe randjes uit de programmatie van Rock Werchter weert en een ultieme knieval maakt voor de grote massa. Zo komt de commerciële hiphopgeneratie op dag twee ruimschoots aan haar trekken. Kanye West en Sean Paul vullen de Main Stage met inspiratieloze beats, uitgemelkte stereotypen en ego’s die nauwelijks op het grote podium passen. Wij schudden meewarig het hoofd en proberen te focussen op het koren dat steeds minder ademruimte krijgt tussen het verstikkende kaf.

A Brand bijvoorbeeld, misschien niet bepaald Antwerp’s finest, maar niettemin een mooie openingsact op een bloedhete vrijdagmiddag. Een goed gevulde Marquee aan het dansen krijgen op het volle middaguur, het is weinigen gegeven. A Brand doet het met “Riding Your Ghost”. De band met de drie gitaristen en vijf zangers spreekt het publiek toe in keurig Antwerps en amuseert zich een dubbele liesbreuk op het podium. De wel erg rudimentaire poëzie van de band — of wat dacht u van de onovertroffen zinsnede “can’t keep my dick in my pants” — verhindert niet dat het eerste hoogtepunt van de dag een feit is.

Jammer dus van het irritante gekrijs dat opstijgt vanuit de richting van de Main Stage. Skin schijnt ooit enige relevantie gehad te hebben, maar we kunnen ons allang niet meer herinneren wanneer dat wel geweest zou moeten zijn. Niet dat Baldylocks er niet hard tegenaan gaat, maar ze brengt weinig meer teweeg dan een vage weemoed naar de tijd dat puberen onze fulltime bezigheid was, Skunk Anansie nog helden waren en Sarah Bettens nog veilig en wel in haar kast zat, met een driedubbel hangslot door alle openingen. Om van de kast nog te zwijgen.

Gevlucht naar de Marquee voor, en wat zijn ze schattig, The Kooks. De Britse band grossiert in brave liedjes die het midden houden tussen The Police en The Strokes. Het piepjonge viertal is immens populair over het kanaal en begint hier langzamerhand ook potten te breken, zo blijkt wanneer radiohitje “Naive” ingezet wordt. Dit is dan ook meteen het hoogtepunt van de set, die verder voornamelijk op routine lijkt te drijven. Gelukkig beschikt frontman Luke Pritchard over tonnen charisma om het gebrek aan het heilige vuur te maskeren. Het weerhield menig puber met ontwikkelde muzieksmaak er alleszins niet van volledig loos te gaan.

Editors dan. “Degelijk en energiek”, het zou een slogan van Yves Leterme kunnen zijn, maar meer verlangen we uiteindelijk niet van een rockgroep. Editors voldoet zonder enige moeite aan die criteria: frontman Tom Smith gaat tekeer als een horzel met spasmen, foltert zijn gitaar op alle mogelijke manieren en grijnst enigszins arrogant wanneer hij ziet dat het publiek er niet genoeg kan van krijgen. We zouden Smiths charisma wat graag een celebrity death match zien aangaan met het ego van Kanye West. Rock-’n-roll zoals het hoort: snel, stevig en zonder die irritante valse bescheidenheid.

In de Marquee is het ondertussen aan één van de vele indiesensaties van de laatste jaren. Clap Your Hands Say Yeah staat geboekstaafd als de grote belofte over de grote plas — informeer maar eens bij David Bowie — maar in boerengat Werchter moeten ze nog vrede nemen met een stek in de vroege middag. Niet geheel ten onrechte: de vocale capaciteiten van zanger Alec Ounsworth jagen heelder mensenmassa’s linea recta de dixies in. Toegegeven, net dat stemgeluid is bepalend voor hun sound. Wat enkele maanden geleden in de AB-box nog op irritant geneuzel leek, is vandaag verworden tot iets incidenteel verstaanbaars. Onswourth oogt — min of meer — wakker en is deze keer wel in staat de songs van hun debuut met verve te vertolken. Aangevuld met wat nieuw materiaal smaakt het naar meer van deze geestelijke zonen van Talking Heads.

Elbow komt een stuk steviger voor de dag dan we op voorhand verwacht hadden: vergeet de ingetogen auteurs van pareltjes als Cast Of Thousands en Leaders Of The Free World. Zanger Guy Garvey merkt op dat de band eigenlijk niet ’far away from home’ is en pakt de Marquee oorspronkelijk ook in alsof het een pure thuismatch betreft. Helaas zijn de verlengingen er net teveel aan. Nogal wat nummers hebben het moeilijk met het iets ruwere kleedje. Bovendien weet Elbows aanpak niet echt te boeien over de hele lijn, waardoor een aanzienlijk aantal toeschouwers de Marquee voortijdig verlaat.

Dat overkomt ook Mogwai, maar dat is bij de Schotten geen nieuws. Loeihard en intens blaast het zestal het publiek in de Marquee weg met strakke versies van “Glasgow Mega Snake” en “Mogwai Fear Satan”. Kan postrock de grote festivals aan? De vraag moet eerder zijn: kunnen de grote festivals deze loeiharde postrock aan? “Game, set and match”, heet dat dan. Ha!

Over matchen gesproken: het kleine Duitse bezettingsleger op de festivalweide marcheert opgetogen heen en weer na de WK-winst tegen Argentinië. Waar zijn die bloody Sovjets als je ze nodig hebt? Passons, want Live staat vandaag al voor de vijfde maal op het podium van Werchter. Ed Kowalczyk doorstaat moeiteloos de vergelijking met God: allebei hebben ze in vroegere dagen wel eens iets goeds gedaan, zich daarmee tevreden gesteld en vervolgens de rest van de tijd doorgebracht met joints roken op een tropisch strand, de wereldvrede prediken en hun eigen reputatie verknoeien met alles wat ze daarna (een paar godsdienstoorlogen, bijvoorbeeld) gedaan hebben. Live put uitgebreid uit de vroege periode, met een grote lichting ’greatest hits’, wisselt die af met nummers van het nieuwste album en haalt tussendoor nog even schandaligerwijs Johnny Cash’ “I Walk The Line” door de allesvernietiger. Blij om te horen dat er nog steeds zekerheden bestaan in het leven.

Headliners vandaag zijn Muse en The Who: twee generaties Britse bands die op geen enkel moment ontgoochelen. De virtuositeit van Matt Bellamy en Pete Townshend, de energie van diezelfde Bellamy en Roger Daltrey, en songs die de intergenerationele kloof moeiteloos kunnen overbruggen: Muse en The Who hebben wellicht meer gemeenschappelijk dan ze zelf beseffen. Al is het nog maar de vraag of ook Muse over dertig jaar nog festivalpodia zal bevolken. En of The Who dat eigenlijk nog zou moeten doen. Wij worden dan weer verwacht op:


Tien maal in’t lang
Bij tien namen hadden we een sterretje gezet. Headliner, nieuwkomer, buitenbeentje: daar verwachtten we net dat beetje extra van. Negen keer kregen we wat we wilden, één keer dropen we mismoedig het hoofd schuddend af:

 

Het begint te wegen, maar dapper ploegen uw enolaverslaggevers door over een weide die langzamerhand weer een onaangenaam geurtje begint te krijgen. En natuurlijk worden we weer veel te vroeg verwacht voor de nieuwste sensatie uit Led Zeppelinland. Stinkers of niet?

“De band is een en al achterhaalde riffs”, schreven we over Wolfmotherin een niet al te ver verleden. Veel meer is er immers niet nodig om de Aussie-rockers te omschrijven. Frontman Andrew Stockdale is behept met Jagger-ticjes en paradeert parmantig over het podium alvorens een nieuwe plundertocht doorheen ettelijke decennia muziekgeschiedenis (van Led Zeppelin tot White Stripes) in te zetten. Dit alles onder het motto: beter goed gejat dan slecht zelf verzonnen. De band komt er nog mee weg ook, getuige het enthousiaste herkenningsapplaus bij singles “Dimension” en “Woman”. Een wissel op de toekomst voor Robert Plants oude band zijn deze jongens nog niet, maar met deze set bewijzen ze wel over het talent te beschikken om het nog ver te schoppen.

Ondertussen hebben dag één en dag twee al wat kunnen bezinken. Een mens kijkt met een beetje weemoed terug naar die dagen vol muziek en vertier en heeft intussen de kans gehad te lezen wat het meer geprivilegieerde journaille ervan vond. Dat is bijwijlen ontluisterend (zoek gerust zelf de fouten, algemeenheden en afgehaspelde verslagjes in publicaties allerhande). Een groot voordeel is dat wij de tijd hebben om her en der nog wat achtergrondinformatie op te zoeken en de concerten ook relatief ontspannen te ondergaan.

Dan bedenk je bijvoorbeeld dat Arctic Monkeys de eerste drie nummers lang weinig meer dan een geluidsbrij produceerden, en daarom wel erg bleek afstaken tegenover de andere gehypete debutanten op het festival. Zo’n geluidsbrij kan dan wel erg stoer staan in het plaatselijke jeugdhuis, op ’s werelds beste festival weigeren we dit te aanvaarden. Als Kaiser Chiefs van bij de eerste noten perfect juist kunnen klinken, kunnen de Sheffieldse schoffies dat met enige moeite ook.

Ja, het is punk en rommelig en rock-’n-roll, maar als dat de norm is, moet Arctic Monkeys zijn volgende platen ook niet glad laten producen. Met “Dancing Shoes” komt er eindelijk wat vuur en enthousiasme in de set, maar zelfs “I Bet You Look Good On The Dancefloor” klinkt afgehaspeld. Zelfs met een grenzeloze arrogantie en goeie songs blijft rommelige punk niets meer dan rommelige punk. Er is bovendien een groot verschil tussen attitude en — bij gebrek aan een zinniger houding — glazig over een wei kijken, al denkt de gemiddelde puber daar waarschijnlijk anders over.

Dan dus liever de Kaiser Chiefs. Ze willen niets van Engeland-Portugal missen, dus beginnen ze wat vroeger en spelen ze alles wat gebalder, maar een feestje bouwen blijft duidelijk het doel. Ook zij staan met een stuk of wat tenen in de punk, maar dan mét zin voor humor en show en een bij warm weer uiterst welkom ska-sausje. Zanger Ricky Wilson zal niet rusten voor we met zijn allen minstens even rood aanlopen als hij. Met “Nananana”, “I Predict A Riot” en vooral “Oh My God” lukt dat ook wel. De wei gaat plat, en dat op het heetste van de dag. Ook fijn trouwens om te merken dat de drie nieuwe songs die ze speelden allesbehalve bleek afstaken bij de rest. We kijken nog reikhalzender uit naar het tweede album.

Jack White heeft een nieuw groepje, samen met maatje Brendan Benson. Met één album en nauwelijks een radiohit onder de arm kregen The Raconteurs een wel érg gevleide plek op de affiche. “Steady As She Goes” zit vroeg in de set, klinkt even fris als op de radio, maar de rest van de set stoot grotendeels op onverschilligheid, een sterke cover van “Bang Bang” daar gelaten. Onterecht trouwens, want Jack White is ook in een ruimere bezetting een fantastisch gitarist en schreef met Benson erg leuke songs bij elkaar. Op hun ruigste klonken The Raconteurs als Queens Of The Stone Age, op hun slechtste als een zeer goed op elkaar ingespeeld hobbygroepje, en op hun beste alsof The White Stripes verleden tijd zijn. Helaas was alles nog wat nieuw en onwennig voor het publiek. Hopelijk is dat anders als The Raconteurs straks op Pukkelpop spelen.

Ook op Pukkelpop straks, én op Dour, Boomtown en de tuin van uw tante: An Pierlé & White Velvet. Pierlé laat haar lief denken dat hij de baas is over de band, houdt vanzelfsprekend de touwtjes strak in handen (leer ons vrouwen kennen) en levert een warm en knus concert af dat het avondeten ronduit gezellig maakt. Wij kunnen maar niet genoeg krijgen van de uithalende accordeon in “Helium Sunset” en ook het prachtige duet “Closing Time” zendt wat aangename rillingen langs de ruggengraat.

Intussen is Engeland er behoorlijk bekaaid vanaf aan het komen tegen Portugal. De laatste strafschoppen zijn nauwelijks genomen, en Franz Ferdinand begint aan zijn uurtje. De Schotten dragen “Walk Away” en “Take Me Out” dan ook op aan Wayne Rooney: moeha. De Franzen doen wat we hen intussen al veel zagen doen: met strakke, puntige popnummers een festivalweide op hun hand krijgen. Ze deden het vandaag beter dan de vorige keren, maar hoe goed ze hun kunstje ook beheersen: volgende keer worden we toch graag weer verrast.

Allison Goldfrapp houdt van een beetje theater op zijn tijd. Licht-vunzig cabaret moet ook kunnen, getuige de aangebrande versie van “Train”. Vier dames in bikini en wolfsmasker kruipen over elkaar en het podium, en Goldfrapp zelf laat een theremin onder haar jurk verdwijnen. Muzikaal zat dit overigens ook wel snor, maar toch bleek de lokroep van Placebo sterker (en die “Train”-act kon Goldfrapp toch niet overtreffen). De zomeravond was bovendien al zwoel genoeg: we zouden oververhit kunnen geraken.

Brian Molko is sinds zijn laatste Werchterpassage vader geworden en dat doet duidelijk iets met een mens. De groep speelt allesbehalve op veilig en draait er zowat het volledige nieuwe Meds door, waardoor van heel wat publieksfavorieten geen spoor op de setlist te vinden is: geen “Slave To The Wage”, “Taste In Men”, “Pure Morning” of “Nancy Boy” dus.

Net wanneer de set wat te obscuur en koel dreigt te worden, tovert Molko het verplacebode “Running Up That Hill” uit zijn hoed en smijt hij er “Special K” achteraan. Met een verschroeiend “Twenty Years” laat de groep ons zwaar onder de indruk achter. En dan te zeggen dat we sinds enkele jaren niet zoveel meer van Placebo moesten weten…

Ondertussen gaat de hemel in de Marquee open. Sigur Rós mag bij zijn tweede passage in vijf jaar meteen headlinen en bewijst dat ook elfjesmuziek op een massa-event kan gedijen. Een niet al te stil publiek ondergaat de pracht van “Glósóli” en “Sé Lest” (die hoempa-fanfare!), en met een daverend “Popplagid” wordt nog een langdurig applaus afgedwongen. Sigur Rós zorgde voor hét concert van Werchter.

dEUS had iets goed te maken na zijn beschamende passage op Pukkelpop twee jaar geleden. We gingen er dankzij het fantastische “Pocket Revolution” niet meer over zeuren, maar het contrast met het concert zaterdagnacht kon niet groter zijn. Bij deze mag de mantel der liefde er dus echt over. We zagen dEUS nooit beter dan op Werchter dit jaar. Barman en de zijnen lieten de chaos en noise op het juiste moment los, maar wisten vooral de structuur telkens weer terug te brengen.

Een geniale tweede gitarist en schaduwfrontman als Mauro Pawlowski is een godengeschenk. Hij heeft zich niet alleen de songs eigen gemaakt, maar weet de nodige accenten te leggen. De geslaagde mix van oude favorieten en nieuwe songs maakte het concert er alleen maar triomfantelijker op. De verwachtingen lagen hoog, maar ze zijn overtroffen. U las het ongetwijfeld al elders: dEUS is God, maar dan één die niet op zijn lauweren bleef rusten. Gevolg: met afsluiters als Sigur Rós en dit dEUS eindigde Werchterzaterdag héél erg sterk.

Tien maal in’t lang
Bij tien namen hadden we een sterretje gezet. Headliner, nieuwkomer, buitenbeentje: daar verwachtten we net dat beetje extra van. Negen keer kregen we wat we wilden, één keer dropen we mismoedig het hoofd schuddend af:

Dag vier: Ruzie met de kapster

Tien maal in’t lang
Bij tien namen hadden we een sterretje gezet. Headliner, nieuwkomer, buitenbeentje: daar verwachtten we net dat beetje extra van. Negen keer kregen we wat we wilden, één keer dropen we mismoedig het hoofd schuddend af:

Met de vele hoogtepunten van zaterdag in het achterhoofd vraagt een mens zich — voor de vierde dag op rij op weg naar een overbevolkt en oververhit stuk gras — wel eens af waarom hij niet gewoon in een luie zetel gaat zitten. Het zou een hoop geld uitsparen, maar we zouden dan wel de energie van een Hard-Fi- of Depeche Mode-concert moeten missen.

Eels had zin in een zomer op Europese bodem en dus werd een set voor de grote zomerpodia klaargestoomd. Geen strijkers dus, maar een terugkeer naar de rauwe zompige rock van de Souljacker-tour, weliswaar aangevuld met de nodige E-humor: op het podium wordt de man bijgestaan door een bonkige securityman die halverweg een ellenlang “Not Ready Yet” de sologitaar overneemt, vervolgens op aanwijzen van E handjes gaat schudden met het publiek (voorzien van een chirurgische handschoen — dat spreekt). Eels biedt een trucklading covers (“That’s Life”, “I Put A Spell On You”, “Jesus Gonna be Here”, …) maar allemaal in hetzelfde eenvormige drammerige jasje. Dit was plezant, maar muzikaal verkiezen we onze Eels wat melodieuzer en songgerichter.

Voor songs kunnen we iets later op dezelfde Main Stage terecht. Starsailor heeft een nieuwe cd uit en dus staat de groep op een zonnige dag halverwege de middag op Werchter. Dat is de afspraak met Herman. (In de oneven jaren zijn de kleinere festivals aan de beurt. Vorig jaar Lokeren, wij gokken op Marktrock voor 2007). James Walsh leidt zijn cohorten door een uitmuntende selectie liedjes en legt daarbij verrassend vooral de nadruk op debuut Love Is Here en — al iets minder — Silence Is Easy waaruit “hitje” “Four To The Floor” twee bewerkingen krijgt. Net zo lief imiteert hij immers de houseremix. Een echt grote groep zal Starsailor nooit worden, maar misvallen doet deze muziek ook nooit: het blijft een chou van ons.

Robert Plant mocht op basis van een goeie soloplaat en een verleden als sekssymbool en uitvinder van de heavy metal even een pensioentje komen innen. We onthouden goede versies van “Black Dog” en “Whole Lotta Love”, merken alert op dat hij het hoge gekrijs toch niet meer uit zijn eerbiedwaardige strot krijgt en hebben er eerlijk gezegd geen idee van hoe de recente nummers in zijn set heten. Maar goed: “Whole Lotta Love” bangt ook bij 43 graden aangenaam head. Wij klagen niet.

Naar Hard-Fi keken we geen beetje uit. De drummer vertrouwde ons laatst nog toe dat de band na de verovering van het Verenigd Koninkrijk nu aan Europa begonnen was, maar niet zou rusten voor de hele wereld aan zijn voeten lag. Die branie vertaalt zich op het podium ook in een onvermoeibare inzet. Hard-Fi overtuigt.

Daar heeft Hooverphonic het een stuk lastiger mee. Niet dat Alex Callier en zijn ondergeschikten geen songs meehebben, maar waarom zij zó ontieglijk hoog op de affiche mogen, is behoorlijk onduidelijk, ook na dit optreden vol prachtige videobeelden en een Geike die duidelijk ruzie met haar kapster had gehad. De songs, vraagt u? Ach…

In afwachting van Depeche Mode zien we The Scissor Sisters vanuit de verte iets kitscherigs en uitermate gesmaakts met disco, homoseksualiteit en popmuziek doen. Een vrouwmens probeert het publiek met veel te lange en veel te vermoeiende monologen op te jutten, maar de muziek blijkt goed genoeg. En ja: ook hun versie van “Comfortably Numb” is coveren met stijl. Helaas niet de onze. Of toch niet als we nuchter zijn. (Nou ja, zo goed als.)

Maar toch liever Depeche Mode. Lange tijd heel fout, een tijdje erg hip, maar dan gesplit wegens drugs- en andere problemen. Nu echter weer bij elkaar. Gahan en co zijn overtuigend teruggekomen met een nieuwe plaat en headlinen vooral meedogenloos. De scepsis was voor het optreden voelbaar, maar langzaam ontdooide het publiek. Met het gouden duo “Personal Jesus” en “Enjoy The Silence” ging het publiek finaal plat voor de door sommmigen gedateerd geachte electropop. Aan het einde van set stond men zelfs tot ver achter de PA mee te zwaaien op “Never Let Me Down”.

En daarmee moet een mens het doen: laverend tussen vuurkestook hier en daar banjeren we weg van de weide, het hoofd al bij de toekomst. Langzamerhand zullen de herinneringen weer vervagen, maar sommige dingen blijven in het hoofd gebeiteld. De extase toen Sigur Rós de spanning in “Popplagid” eindelijk losliet, de power waarmee Mogwai het publiek de Marquee uitbuldozerde, de triomftocht van dEUS… Elders overheerste vooral de degelijkheid zonder glans. Gezien de politieke peilingen lust het Vlaamse publiek daar pap van. De ’Schuer’ had zijn bands goed geïnformeerd dit jaar.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × een =