The Merchant of Venice




Een laatkomertje, deze ‘Merchant of Venice’: Michael Radford,
regisseur van een uitstekende verfilming van ‘1984’ en natuurlijk
van Italiaanse hartensmelter ‘Il Postino’, draaide deze
Shakespearebewerking in 2003. Eind 2004 kwam de film in de
Amerikaanse en Britse zalen, waar hij niet fenomenaal presteerde en
algauw weer verdween. Nu zijn we mei 2006, en kijk wat daar plots
verschijnt in de Belgische cinema’s. Zelfs de films van Rob Van
Eyck doen er zo lang niet over om een publiek te vinden.

‘The Merchant of Venice’ is één van de minst verfilmde
toneelstukken van de bard – ten tijde van de stomme film werden er
een aantal om-en-bij versies gedraaid, maar sindsdien heeft het
verhaal het moeten stellen met een paar duffe televisieadaptaties,
meer niet. Als je het verhaal even bekijkt, is het makkelijk om te
zien waarom. Joseph Fiennes (broer van Ralph, en absoluut het
kneusje van de familie) speelt Bassanio, een jongeman uit Venetië
die van plan is om te trouwen met Portia (Lynn Collins), maar diep
in de schulden zit. Hij vraagt aan zijn goede vriend Antonio
(Jeremy Irons) om hem uit zijn financiële zorgen te helpen.
Antonio’s geld zit echter vast in verschillende overzeese
handelsexpedities, en de twee zien geen andere oplossing dan naar
de joodse woekeraar Shylock (Al Pacino) te gaan. Antonio zal zich
borg stellen voor de 3000 dukaten die ze bij Shylock lenen, maar de
waarborg die hij vraagt is wat je noemt “exorbitant”: als Antonio
niet kan terugbetalen, mag Shylock één pond vlees uit zijn lichaam
snijden. Ervan overtuigd dat zijn zakendeals niet zullen mislukken,
gaat Antonio akkoord, maar dan krijgt hij vreselijk nieuws: al zijn
schepen zijn verloren gegaan op zee. Shylock begint zijn messen al
te slijpen.

Je zou het niet meteen zeggen na het lezen van die samenvatting,
maar ‘The Merchant of Venice’ wordt beschouwd als één van de
komedies van Shakespeare. Niet dat Michael Radford erop lijkt te
rekenen dat u vaak zult lachen. Wat nu zo riskant is aan het
verhaal, en de reden dat het zo zelden werd verfilmd, is de figuur
van Shylock – een archetypische gierige jood, die in het
oorspronkelijke toneelstuk vrij eendimensioneel wordt opgevoerd als
de schurk. Academici hebben in de voorbije 400 jaar geprobeerd om
het stuk te herinterpreteren naar de waarden van hun eigen tijd. Ze
hebben geprobeerd om verzachtende omstandigheden te vinden voor het
antisemitisme, door bijvoorbeeld te wijzen op het feit dat Shylock
in eerste instantie wordt gediscrimineerd door de andere
personages. De beroemdste monoloog in het stuk hoort toe aan de
jood: “Hath not a Jew eyes?,” enzovoort. Dat kan dan wel
zo zijn, maar het sadisme van Shylock staat nergens in verhouding
met de misdaden die tegen hem worden gepleegd. Iemand spuugt in
mijn gezicht, dus mag ik een pond van zijn vlees afsnijden?
Bovendien wordt er in de tekst continu de nadruk gelegd op Shylocks
liefde voor zijn geld. Wanneer hij te horen krijgt dat zijn dochter
er met een Christen vandoor is gegaan en met zijn dukaten nu grote
zwier maakt, zegt hij niet “Mijn dochter!”, maar wel: “Mijn
geld!”

Het valt moeilijk voor ons om één en dezelfde man te zien als één
van de grootste dichters aller tijden, én toch om het feit te
aanvaarden dat hij een antisemiet was. Waarschijnlijk was dat
inderdaad wel zo; in Elizabethaans Engeland riskeerde je al je
leven als je Rooms was, kun je nagaan hoe ze dachten over joden.
Hoe dan ook, in een moderne verfilming kom je daar niet mee weg (en
terecht). Michael Radford speelt dan ook een voor de hand liggende,
maar allicht noodzakelijke kaart, en introduceert Shylock als een
tragisch personage. Hij probeert van hem iemand te maken die
simpelweg moegetergd wordt, totdat hij vanzelf vervalt in extreme
haat. Die pogingen lukken bijna, maar ze waren allicht meer
succesvol geweest als Radford een paar replieken had geschrapt
(vooral Shylocks reactie “my money” nadat hij het nieuws krijgt van
zijn dochter lijkt erg misplaatst), én als hij het had aangedurfd
om Antonio minder sympathiek te maken. Radford ziet zich hier
gedwongen om een personage uit Shakespeare te herschrijven, om het
meer aanvaardbaar te maken voor een hedendaags publiek. Fair
enough
, maar dan moet je ‘t ook grondig doen, consequent zijn
en niét halverwege ophouden.

Dat alles in aanmerking genomen, is het geen wonder dat Radford de
komische dimensie die het stuk oorspronkelijk wel gehad zal hebben,
volledig achterwege laat. Aanvankelijk worden er enkele
huwelijkskandidaten van Portia opgevoerd als schertsfiguren, maar
meer dan luchtige tussendoortjes zijn dat niet. Over het algemeen
profileert de film zich als een drama, met naar het einde toe zelfs
lichte overtonen van een suspensefilm: de beste sequens is die
waarin Shylock voor een rechter zijn terugbetaling eist. Hij haalt
een mes boven, Antonio wordt vastgebonden, en dàn. Echt brullen van
het lachen heb ik niet gedaan, moet ik zeggen, maar het was wel
boeiend als filmisch drama.

Radford is een bekwaam, zij het niet erg opwindend regisseur, dat
was al lang geleden duidelijk, en hier levert hij een relatief
traditionele, binnen de lijntjes gekleurde versie van het
toneelstuk. Venetië wordt mooi in beeld gezet, met heel wat scènes
die zich rond zonsondergang afspelen zodat de zon lekker in het
water van de kanalen kan glinsteren, en Radfords filmgrammatica is
simpel en helder. Niet teveel camerabewegingen, geen extravagante
toestanden, maar solide filmmakerij.

Het probleem met de film blijft echter Shylock: de woekeraar is
sowieso het boeiendste personage in het stuk, dat al de beste
regels tekst voor zich opeist, en Al Pacino speelt hem met een
energie en bravado dat nergens anders in de prent te vinden is.
Telkens wanneer hij niet in beeld is, zakt de polsslag van de film
gevaarlijk. En er is slecht nieuws, want in wezen is Shylock
slechts een nevenpersonage, dat in hooguit de helft van het verhaal
te zien is. Voor het overige zitten we vast met een houterige
Joseph Fiennes (geef die man een acteerverbod, en wel nu!), een
Lynn Collins waar ik niet warm of koud van werd en een Jeremy Irons
die deprimerend weinig te doen krijgt.

‘The Merchant of Venice’ is geheel onverwacht, en zeer laattijdig,
uit de vergetelheid opgestaan, maar maak u geen illusies: hij zal
daar snel genoeg weer naar terugkeren. Ach ja, in ieder geval weet
u nu waarom gangsters in Martin Scorsese-maffiafilms hun geldleners
altijd “Shylocks” noemen: ze zijn gewoon educated
motherfuckers!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vijf =