Charlie and the Chocolate Factory




34 jaar nadat Gene Wilder zich met z’n Oompa Loompa’s terugtrok uit
z’n chocoladefabriek om samen met hen dingen te gaan doen waar ik
liever niet teveel over nadenk, is het aan Tim Burton om te
proberen de magie van Roald Dahls boek opnieuw tot leven te brengen
in een nieuwe filmversie. De ambachtelijk in elkaar getimmerde
decors en special effects van toen hebben moeten plaatsmaken voor
CGI, eeuwige etter Mike Teevee speelt continu videospelletjes in
plaats van voor z’n televisie te zitten en de magische lift waarmee
chocolatier Willy Wonka door de lucht klieft, ziet er
spectaculairder uit dan ooit tevoren, maar de essentie van het boek
en de oorspronkelijke film zijn intact gebleven. ‘Charlie and the
Chocolate Factory’ (eindelijk gebruiken ze de titel van het boek),
is een familiefilm geworden in de ware zin van het woord: kinderen
mogen zich vergapen aan de onvoorstelbare visuele vondsten die
Burton schijnbaar moeiteloos op het scherm kwakt, volwassenen
worden dan weer gecharmeerd door de nostalgische waarde die de
prent heeft (of hebt ù nooit heimelijk zitten dromen van een
tochtje in een boot op een chocoladerivier, misschien?).

Het verhaal is onveranderd gebleven: Charlie Bucket (Freddie
Highmore) is een arme jongen die samen met vier andere kinderen een
gouden ticket wint om een bezoekje te brengen aan de
chocoladefabriek van de mysterieuze Willy Wonka (Johnny Depp), een
kluizenaar die de beste chocolade ter wereld maakt, maar verder met
niemand iets van doen wenst te hebben. Zijn vier metgezellen zijn,
vanzelfsprekend, absolute gedrochten van kinderen: Veruca Salt is
het meest egoïstische kreng dat ooit op haar achterste poten heeft
leren lopen, Duitse slokop Augustus Gloop leeft enkel om zichzelf
vol te proppen, Mike Teevee is een arrogant rotjoch dat alleen
geïnteresseerd is in videogames en Violet Beauregarde is (in deze
versie) een meedogenloos prestatiegerichte tuttebel die aan het
wereldrecord kauwgum kauwen werkt. De rondleiding doorheen Wonka’s
fabriek zal, vanzelfsprekend, onverwachte gevolgen hebben.

De visuele hoogvliegerij die we onderhand zijn gaan verwachten van
een Tim Burtonfilm, is ook hier weer volop aanwezig, maar de hand
van de regisseur zelf valt het duidelijkst te merken zolang we
buiten Wonka’s chocoladefabriek blijven. Het troosteloze,
Victoriaans aandoende stadje waarin Charlie woont, dàt is typisch
Tim Burton: Charlie woont in een armzalig stenen huisje dat zo
scheef gaat dat het elk moment kan omvallen, en de buitenkant van
de fabriek geeft aanvankelijk de indruk van een veredeld
concentratiekamp, met de éne barak naast de andere, en dan
tussendoor plotseling een stel gigantische schoorstenen die de
hemel inreiken. Dit soort van over-de-top, bijna expressionistische
decors herinneren we ons nog van ‘Batman’, dit is de wereld waarin
Burton thuis is. Eens de actie zich verplaatst naar de binnenkant
van de fabriek, neemt de conventie van het boek (en van de vorige
film) het over. De koude, mistroostige, zelfs onheilspellende
eigenschappen van Charlie’s woonplaats worden ingeruild voor
fantastisch kleurrijke, inventieve decors, die regelmatig
herinneringen oproepen aan die uit de vorige verfilming. De
chocoladerivier, de tv-kamer enzovoort… Burton brengt het
allemaal prachtig in beeld, maar hier volgt hij eerder de letter
van het verhaal, in plaats van visueel z’n eigen gang te gaan,
zoals hij dat in de vroegere scènes wél meer kon doen.

Niet dat dat op de keper beschouwd zoveel uitmaakt. Burton zet een
stapje achteruit in z’n persoonlijke obsessies met het gotische en
macabere om z’n verhaal te vertellen, en zo hoort het. Zijn
grootste prestatie als filmmaker is echter het feit dat we hier een
prent hebben waarin elke seconde wel iéts spectaculairs op het
scherm is, zonder dat die pracht en praal de film gaan overnemen.
‘Charlie and the Chocolate Factory’ is niet zomaar een zielloze
effectenshow geworden – de humor en (dat moést natuurlijk ook weer)
de moraal komen er zeer duidelijk uit naar voren en wat we ons
achteraf herinneren, zijn niet zozeer de decors of de
computereffecten, maar wel de blik op Charlie’s gezicht wanneer hij
die reep chocolade opendoet om z’n gouden ticket te ontdekken. De
emoties van het verhaal worden niet verdrongen door de vormelijke
kant van de film, en ja, dat is een prestatie om trots op te
zijn.

Inhoudelijk wijkt Burton maar af en toe af van de vorige
verfilming, en waar hij dat dan toch doet, betekent dat gewoonlijk
een verbetering: we krijgen een paar flash-backs van opa Joe (die
Charlie vergezelt tijdens z’n trip naar de fabriek), die uitleggen
hoe het komt dat Willy Wonka zo’n eenzaat is geworden én die een
extra motivatie geven voor Joe’s wens om mee te gaan op de
rondleiding: hij heeft vroeger namelijk nog voor Wonka gewerkt. Ook
zorgt Burton ervoor dat hij sneller door het eerste deel van het
verhaal heenraakt: Mel Stuart had in ’71 nog drie kwartier nodig om
aan de tour te kunnen beginnen, Burton speelt het in nog geen half
uur klaar, allicht omdat hij ook wel weet dat iedereen daarop zit
te wachten. Het enige aspect dat minder goed uit de verf komt, is
Wonka’s relatie met zijn vader, die nogal geforceerd en obligaat
overkomt. De poging om van Wonka een meergelaagd personage te
maken, is zeer nobel, maar uiteindelijk ook zinloos – wie kan het
wat schelen waarom de eigenaar van een magische chocoladefabriek
een vijs los heeft zitten?

Johnny Depp als Wonka gaat overigens een heel andere toer op dan
Gene Wilder zoveel jaren terug. Wilder speelde Wonka in een brede
variëteit aan nuances – zijn Wonka was een man die wist hoe hij
zich moest gedragen in gezelschap, maar die zich af en toe toch
niet kon houden en verviel in haast duivels gedrag (de scène op het
bootje!). Depp, daarentegen, speelt hem als een groot kind dat met
een hoog stemmetje praat, niet weet hoe hij met mensen moet omgaan
en ook niet kan doen alsof. Deze Wonka is àlle sociale remmen
kwijt: hij gebruikt spiekkaartjes om zichzelf voor te stellen, hij
hààt kinderen (behalve Charlie, natuurlijk) en lijkt makkelijker te
communiceren met z’n Oompa-Loompa’s dan met zijn gasten. Het feit
dat Depp de hele film lang ongeveer in hetzelfde register blijft
spelen, heeft er al toe geleid dat sommigen zijn vertolking
eentonig hebben genoemd, maar dat lijkt mij bezijden de kwestie –
Wonka is als personage zodanig van de realiteit losgeschroefd, dat
er geen verwachtingspatroon aan vastgemaakt kan worden. Je kunt hem
spelen zoals je wilt, elke keuze is sowieso geldig. Of ze ook
genietbaar is, is een andere vraag, maar in dit geval lijkt me dat
buiten twijfel te staan. Freddie Highmore (eerder al met Depp in
‘Finding Neverland’), houdt zich
manhaftig staande tegenover zoveel acteergeweld – de jongen voelt
nooit de behoefte om vanalles te gaan doén, zoals zoveel
kindacteurs. Hij kan gewoon stilzitten en rustig de aandacht van
het publiek opeisen, zonder meer. Knap werk.

Naar het einde toe rekt Burton z’n film misschien net iets langer
dan strikt noodzakelijk, en oké, de moraal ligt er misschien een
beetje dik bovenop, maar who cares? Dit is knap geschreven,
prachtig gefilmd en goed geacteerd entertainment, mét een paar
flitsende Oompa-Loompa liedjes er gratis bovenop, én, alsof dat nog
niet genoeg is, de geestigste parodie op ‘2001’ die ik ooit gezien heb. Gaat en
geniet ervan als ware het een stuk heerlijke chocolade.

http://chocolatefactorymovie.warnerbros.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

10 + 9 =