Suede :: Dog Man Star (1994)

Nauwelijks een jaar na de release van hun bejubelde debuut trok Suede de studio in om de opvolger op te nemen. Vier maanden later stapte gitarist Bernard Butler nog tijdens de opnames uit de groep. En toch blijft Dog Man Star het hoogtepunt van een band die zich op de top van haar kunnen plots bijeen moest rapen.

De ster van Suede was dan ook snel gerezen. Na jaren ploeteren in de marge als halfslachtige volgelingen van Happy Mondays en Stone Roses daagde het gitarist Bernard Butler dat Johnny Marr al bestond en schudde zanger Brett Anderson zijn verlegenheid af om zich tot een flamboyante frontman te ontpoppen. Eindelijk vond de groep zijn eigen gezicht. Met hits als “The Drowners” en vooral “Animal Nitrate” forceerde de groep in 1993 de grote doorbraak.

De timing was perfect: de Britse pers baalde zwaar van al die Amerikaanse grungegroepjes die het muzieklandschap domineerden en wist niet hoe snel ze een band van eigen bodem op de haar kenmerkende wijze de lucht in kon schrijven. Nog voor ze een platendeal had, sierde de groep de covers van de muziekbladen.

Het naamloze debuut was een schot in de roos en Suede was nu officieel de beste nieuwe Britse groep. In de aanloop naar de opnames van de nieuwe plaat werd de Stay Together-ep uitgebracht als zoethoudertje. De titeltrack was een indicatie waar het volgens Butler naar toe moest: met zijn acht minuten was het een episch georkestreerd drama dat niet alleen larger than life was, maar ook alle ruimte liet voor zijn gitaarcapriolen. De standaard voor het album dat zou volgen was gezet.

In het Suedekamp zelf was het ondertussen allesbehalve peis en vree. Butler voelde zich niet goed in de groep, had het moeilijk met het wilde rock’n rollgedrag van de anderen en de spanningen rezen ten top. Naar het einde van de opnamen van Dog Man Star in de Master Rock Studio’s barstte de bom: Butler wilde producer Ed Buller buiten en zelf de opnames leiden of hij stapte op. De rest weigerde te plooien en de gitarist kon vertrekken: het verhaal doet de ronde dat hij zijn gitaren kon ophalen op de oprit van de studio.

Dog Man Star was ondertussen niet helemaal af en de groep probeerde Butler te bewegen alsnog zijn verplichtingen na te komen. Het leverde een stroom verwensingen op als backing vocals in plaats van een spoel gitaarstukken voor “Black Or Blue”. De overblijvers besloten dan maar wijselijk om de gitaar van “The Power” te laten inspelen door een anonieme gitarist die Butlers demo netjes noot voor noot kopieerde.

En daar stond Suede dan: geen gitarist meer, maar wel een tweede album te promoten en de druk om de pers te overtuigen dat Suede allesbehalve verloren was. En dat terwijl grote concurrent Blur met Parklife bejubeld werden en nog geen klein beetje in zijn vuistje stond te lachen. Anderson dacht er nog niet aan op te geven. Na audities werd de 17-jarige Richard Oakes de nieuwe gitarist en Suede was vastbesloten er tegenaan te gaan.

Eerste single “We Are The Pigs” was dan ook bewust gekozen: geen popnummertje – tot wanhoop van de platenfirma – maar een nummer dat de vechtlust van de groep belichaamde. No Retreat, No Surrender: Suede zou zijn kroon van Beste Britse Band niet zomaar laten afsnoepen door Blur of Oasis. Met zijn beeldspraak die rellen in de straat opriep was de song een krachtige terugkeer op een scene waar Britse rock ondertussen de gewoonste zaak van de wereld was geworden.

“Het stinkt naar Dog Man Star“, was de reactie van Oakes toen hij op een dag met Anderson langs het gotisch-Victoriaanse huis reed waar de zanger het merendeel van het album had geschreven in een klein kelderkamertje, terwijl hij met acid en ecstasy experimenteerde. Dog Man Star was dan ook een zwaar barokke en dramatische plaat waar het zonlicht zich niet waagde: begint ze nog met klassiekere glamrocknummers als het vinnige “Heroine”, de plakker “Wild Ones” of het poppy “New Generation”, gaandeweg verschuift de toon en neemt het drama toe. Na “This Hollywood Life” slaat de sfeer om en wordt de muziek theatraler. “Black Or Blue” neigt zelfs naar musical, maar het is het negen minuten durende “Asphalt World” dat de kern van Dog Man Star vormt: een mini-tragedie over een te delen liefde die door Butler van atmosferische gitaren wordt voorzien.

Met “Still Life” wordt een groots orgelpunt achter Dog Man Star gezet. Een orkest vervoegt halverwege een ingetogen begonnen band en trekt werkelijk àlle registers open. Anderson galmt als nooit tevoren, terwijl rondom hem pauken en strijkers hem naar een hoogtepunt trekken. Waarna glorieuze strijkers en vervolgens het hele orkest vanuit de stilte die dan valt de coda voorzien.

Andersons zet lukte: de tournee ter promotie van Dog Man Star gaat door met Oakes als gitarist, fans zijn gerustgesteld. In september 1996 staat Suede er opnieuw met Coming Up, dat voor het eerst het songschrijftalent van Oakes toont. Het recept blijkt veranderd, de kwaliteit niet. Coming Up is de quintessens van pop, een album waarvan elk nummer een single had kunnen worden. Voor de laatste keer is Suede groots, want met Head Music verliest de band zich volledig in drugs, A New Morning ontbeert ziel.

Het wordt herfst 2003 en de split van Suede wordt aangekondigd. “Ik moet mijn demonen terugvinden” kondigt Brett Anderson aan op de site van de band. En ook dat hij een solo-album gaat afwerken zodra de laatste Suede-concerten zijn afgewerkt. Dat gebeurt in stijl met een optreden per plaat die de groep uitbracht. En dan gebeurt het onwaarschijnlijke: Anderson staat op na dat laatste concert, neemt de telefoon en belt Butler. Er wordt voor het eerst in tien jaar een pint gepakt en meteen besluit het duo opnieuw samen een plaat te maken. Het verhaal van The Tears is begonnen – hoe lang Anderson en Butler het nu met elkaar zullen uithouden, is maar de vraag.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + twintig =