Cyrano de Bergerac




De kracht van grote verhalen ligt in hun eenvoud. ‘Cyrano de
Bergerac’ ontstond als een toneelstuk van Edmond Rostand in 1897 en
sindsdien hebben we talloze opvoeringen van het stuk gekregen,
evenals een hele resem filminterpretaties, inclusief de komedie
‘Roxanne’ met Steve Martin. De naam zelf heeft een universele
bekendheid gekregen – ook mensen die het verhaal van geen kanten
kennen, horen ergens een belletje rinkelen over een personage met
een grote neus. Dat soort van verhalen, verhalen die het collectief
bewustzijn binnendringen, berusten meestal op een doodeenvoudig
principe: waar gaat ‘Cyrano’ uiteindelijk anders over dan een
lelijkaard die geen vrouw kan krijgen? Maar gebaseerd op dat
uitgangspunt, creëerde Rostand wel één van de meest memorabele
personages uit de Franse cultuurgeschiedenis, een ode aan de poëzie
en de romantiek, een onstuimig liefdesepos. In 1990 regisseerde
Jean-Paul Rappenau deze filmversie met Gérard Depardieu in de
titelrol – het resultaat werd bedolven onder de loftuigingen,
inclusief een rits Césars en oscarnominaties en kan inderdaad
gelden als de definitieve ‘Cyrano’-film.

Depardieu raast over het scherm als Cyrano – hij is de ultieme
dichter en soldaat, van niemand bang en al even bedreven met het
zwaard als met de pen. Aan het begin van de film zien we hem
tijdens een toneelopvoering een acteur luidkeels het podium
afjagen, om vervolgens een overmoedige rivaal te bekampen in een
duel, terwijl hij gaandeweg een sonnet componeert. Kortom: dit is
een man met stijl. Met stijl, en met een neus zo groot dat honden
er jankend voor op de vlucht slaan. Cyrano is hopeloos verliefd op
zijn nichtje Roxane (Anne Brochet), maar voelt zich zo onzeker over
zijn gigantische neus dat hij er niet aan mag denken om haar dat te
bekennen – dit was, vanzelfsprekend, vele jaren voordat de theorie
de ronde begon te doen dat aan de omvang van de neus de omvang van
bepaalde andere lichaamsdelen afgeleid kon worden.

Dan blijkt dat Roxane een oogje heeft laten vallen op Christian
(Vincent Perez), een jonge soldaat die deel uitmaakt van Cyrano’s
kadetten – Christian ziet er zo okselfris uit dat z’n achternaam
net zo goed ‘Dior’ had kunnen zijn, maar is jammerlijk verstoken
van elk gevoel voor taal of romantiek. Cyrano, die weet dat hij
toch nooit een kans maakt bij Roxane, besluit genoegen te nemen met
the next best thing: hij giet al zijn verdrongen emoties, al
zijn liefde uit in wonderlijke liefdesbrieven aan Roxane, waar
Christian vervolgens de eer voor opstrijkt. ‘Met jouw uiterlijk en
mijn woorden,’ zegt Cyrano tegen hem, ‘vormen we samen een
uitzonderlijke man.’

Depardieu is een grootse Cyrano: hij speelt het personage niet als
een zuchtende zwakkeling die “oh” en “ah” staat te slaken tegen de
bleke maan, maar als een man van extreme emoties. Wanneer hij kwaad
is, is hij woedend en is hij in staat om tegen iedereen, zonder na
te denken, het zwaar te heffen. En wanneer hij verliefd is, gebeurt
dat niet stilletjes, maar met een enorme knal. Werelden vergaan en
de zon houdt op met schijnen omdat Cyrano verliefd is. Hij is een
man van grote gebaren, die aan het begin van de film achteloos z’n
laatste geld op het podium van het theater gooit opdat die
vreselijke acteur toch maar zou ophouden. Hij bedenkt 20
vindingrijke beledigingen voor z’n eigen neus, allemaal beter én
groffer dan wat een ander hem ooit naar het hoofd zou kunnen
smijten. Hij heeft voor niets of niemand schrik, behalve dan dat
éne ding: dat hij zijn liefde zal bekennen aan Roxane en vierkant
uitgelachen zal worden. De stoerste kerels, de hevigste binken
veranderen in kleine kinderen wanneer het over de liefde gaat, en
Depardieu speelt die veranderingen binnen z’n personage vrijwel
perfect: de breedsprakerige, tomeloos energieke Cyrano en de
bedeesde, halsoverkop verliefde Cyrano, die zachtjes woorden van
liefde spreekt zonder dat hij erop kan handelen. Elk groot
romantisch personage is er één die niet aan een lief kan geraken.
Wie de liefde gevonden heeft bedrijft ze immers, die hoeft er niet
over te praten.

Rappeneau heeft hier gekozen voor een vrij klassieke aanpak van het
bronmateriaal: de historische setting wordt glansrijk opgesmukt met
weelderige decors en kostuums die werkelijk een lust voor het oog
zijn. Jammer dan, dat de regisseur ervoor kiest om zo conservatief
te zijn in z’n cameravoering – er zit relatief weinig beweging in
de film, er zijn maar weinig shots die memorabel zijn als shots,
als visuele momentjes op zich. Gezien de knap geconstrueerde
achtergrond waartegen alles zich afspeelt, moet je jezelf wel
afvragen hoeveel meerwaarde het zou hebben opgeleverd indien
Rappeneau eens een steadicam had geïntroduceerd in dit
wereldje.

Bovendien behoudt hij de originele tekst van het stuk, wat betekent
dat de personages zich uitdrukken in vers. Een gevaarlijke
bezigheid, dat soort van stijlgrepen gaan algauw geaffecteerd
lijken, maar in het geval van ‘Cyrano’ werkt het wonderwel – de
taal staat immers vanaf het begin centraal, het stuk is één lange
ode aan de dichtkunst en aan het vermogen van woorden om de diepste
ziel van de schrijver of de spreker bloot te leggen. Een mooi
uiterlijk is wat ons aanvankelijk aantrekt, maar de reden waarom we
van iemand gaan houden, is zijn innerlijk, en daartoe hebben we
alleen toegang via zijn woorden. Depardieu en de rest van de cast
gaan zo nonchalant om met die gestileerde dialogen, dat ze na een
tijdje volkomen naturalistisch gaan lijken. Een gelijkaardig effect
werd enkele jaren later bereikt met Baz Luhrmann’s ‘Romeo and
Juliet’: de personages spreken in vers, maar daar wordt nergens een
punt van gemaakt, er wordt nergens de nadruk op gelegd. We
accepteren het gewoon als een voorafgaand feit.

‘Cyrano de Bergerac’ blijft een fascinerend stuk, een bevlogen ode
aan de ware liefde en de manier waarop de liefde niet blind is,
maar blind wordt met de loop der tijd. Schitterend geacteerd en
knap – zij het iets te braafjes – in beeld gezet, is deze
filmversie er één die alle volgende overbodig maakt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

7 + 6 =