Drugstore Cowboy




Na enkele jaren lang aan de weg te timmeren met een aantal weinig
opgemerkte underground-films met tot de verbeelding sprekende
titels als ‘Five Ways To Kill Yourself’, wist Gus Van Sant
eindelijk internationale erkenning te vergaren met ‘Drugstore
Cowboy’, zijn soms tragisch, soms komisch, altijd fascinerend
portret van de drugswereld van de vroege jaren zeventig. Eén van de
meest wisselvallige regiecarrières van de voorbije twintig jaar was
definitief vertrokken, met complete flops als ‘Psycho’ en ‘Even Cowgirls Get The Blues’ en
pareltjes als ‘My Own Private Idaho’ en ‘Elephant’. ‘Drugstore Cowboy’ blijft, zelfs
vijftien jaar later, een doordringende filmervaring, gemaakt met
intelligentie en goede smaak.

Matt Dillon speelt Bob, de zelfverklaarde leider van een bende
junkies die zich specialiseert in het ontwikkelen van vindingrijke
manieren om aan drugs te geraken en het te verbergen voor de
politie. De bende bestaat uit hem, zijn vriendin Dianne (Kelly
Lynch), Rick (James Le Gros) en zijn vriendinnetje Nadine (een
piepjonge Heather Graham, in haar eerste ernstige filmrol). Samen
vormen ze een surrogaatgezin met Bob als patriarch. Wanneer ze dope
nodig hebben, voeren ze slim uitgekiende raids uit op ziekenhuizen
of apotheken – Nadine doet alsof ze een epileptische aanval krijgt,
en terwijl de aandacht is afgeleid, duikt Bob achter de toonbank,
waar hij alle junk die hij maar kan vinden in z’n zakken
stopt.

Hun leven samen is er één van een hersenverlammende routine. Zoals
Renton het enkele jaren later zou zeggen in ‘Trainspotting’: “Wanneer je aan de junk
zit, heb je maar één zorg: scoren.” En zo is het ook voor de bende
van Bob – hun hele leven draait rond de noodzaak om high te worden
en te blijven. Hun voortdurende zoektocht naar de volgende roes
laat geen ruimte voor andere bezigheden, het neemt alles over.
Vroeg in de film komen we te weten dat Bob allang niet meer
geïnteresseerd is in seks – wanneer Dianne naar hem toekomt, is het
enige waar hij aan kan denken de volgende score; hij weet een
ziekenhuis waar ze waarschijnlijk wel coke zullen hebben.

Dat is een punt waar de film erg succesvol is: elke verslaving,
niet noodzakelijk aan drugs, is in essentie een uiting van
obsessief gedrag: ik moét mijn shot hebben, ik moét mijn sigaret
hebben, ik moét mijn borrel kunnen drinken. Ik moét. Over de loop
van de film zien we steeds duidelijker hoe Bob en zijn vrienden
gedreven worden door precies zo’n compulsies. Niet alleen de
noodzaak om aan drugs te raken, maar ook verschillende vormen van
bijgeloof: een hond brengt ongeluk, een hoed op een bed betekent
een ramp. Hun leven wordt geleid via verschillende rituelen en via
een hiërarchie binnen de groep, die dicteert dat Bob de
onbetwistbare leider is, aan wiens oordelen niet getwijfeld wordt.
Dat dwangmatige karakter van het junkieleven komt zeer duidelijk
naar voren uit ‘Drugstore Cowboy’.

‘Drugstore Cowboy’ is dan wel een drugsdrama, maar de beste films
laten zich niet vastpinnen op een genre en van de vele dingen die
erin terug te vinden vallen, is humor hier ongetwijfeld één van de
belangrijkste. Gus Van Sant heeft hier, ondanks het onderwerp, ook
een soms zeer geestige prent gemaakt. Nadine sterft ongeveer
halverwege de film in een motel aan een overdosis. De drie anderen
moeten er dus voor zorgen dat ze haar lijk uit dat motel kunnen
wegsmokkelen, maar wanneer Bob voorzichtig uit het raam kijkt, ziet
hij tientallen politiewagens op de parking staan. Juist op dat
moment is er een sheriffsconventie aan de gang. Die situatie, en
zeker de dodelijk accurate timing waarmee Van Sant die in beeld
brengt, is bijzonder grappig. Morbide, maar grappig. De manier
waarop de film constant een evenwicht weet te bewaren tussen die
twee extremen – de tragiek van een leven als drugsverslaafde en de
humor die er onvermijdelijk tóch door komt sijpelen, omdat dat nu
eenmaal de aard van het leven is – bezorgt ‘Drugstore Cowboy’ een
unieke toon, die in niets te vergelijken valt met andere
benaderingen van het onderwerp, inclusief ‘Trainspotting’ of ‘Requiem For A Dream’, die twee andere
drugs-meesterwerkjes.

De fotografie helpt ook wat dat betreft: de hele film werd
opgenomen in steden als Portland in Oregon en Seattle – steden die
ervoor bekend staan dat het er vaak regent, die vast lijken te
hangen in een eeuwige herfst met kille, overtrokken hemels,
afvallende bomen en een grijze, grauwe tint in de lucht. Na een
tijdje krijg je de indruk dat je de klamme, koude lucht kunt
voelen. Voor de interieurs kiest Van Sant dan weer overwegend voor
lelijke groene kleuren – niemand zou ooit z’n huis in die kleuren
schilderen, maar zoals het is, zorgt dat groen voor een sterker
sfeertje van ontheemding. De junks horen niet thuis waar ze zijn,
ze horen nergens thuis en het klinische, institutionele uiterlijk
van de huizen en flats waar ze zich ophouden, versterkt dat
gevoel.

Gus Van Sant heeft hier een krachtig anti-drugs statement
gecreëerd, dat toch nergens het vingertje ophoudt om op een
schoolse manier het publiek een zedelesje bij te brengen.
Uiteindelijk beslist Bob dat hij zal proberen om clean te worden,
maar het verleden blijft hem achtervolgen – William S. Burroughs,
één van dé iconen van de drugscultuur, krijgt een gastoptreden als
geëxcommuniceerde priester die al jaar en dag aan de junk zit: de
man is een wandelend skelet, wiens gezicht één en al miserie
uitstraalt, maar hij spreekt op een intelligente manier over drugs
en hoe de maatschappij met dat fenomeen omgaat. Zijn personage
vertegenwoordigt voor Bob wat hij zou kùnnen worden, indien hij
verder blijft gaan op de ingeslagen weg. Van Sant hamert nooit op
dat punt – hij introduceert het nieuwe personage, laat Burroughs
z’n zegje doen en klaar daarmee. Hij is hier niet om te
prediken.

Matt Dillon was voor ‘Drugstore Cowboy’ voornamelijk bekend als
knappe, jonge rebel uit films als ‘The Outsiders’ en ‘Rumble Fish’.
Hier keert hij dat imago met zichtbaar plezier helemaal om – de
rebel is in feite een enorme loser, die enkel nog leeft om z’n
verslavingen, z’n obsessies te voeden. Pas aan het einde van de
film lijkt hij een soort van loutering bereikt te hebben – en dan
nog. Dillon weet zeer veel intensiteit in z’n rol te leggen en
levert in een neutrale, kalme toon commentaar via de voice-over:
‘De meeste mensen weten niet hoe ze zich het volgende moment zullen
voelen, maar een junkie wel. Je moet alleen maar naar het etiket op
de flesjes kijken.’ Dit is en blijft één van zijn beste
rollen.

‘Drugstore Cowboy’ is een inzichtrijke, sfeervolle, goed
geregisseerde en geacteerde film, die veel te weinig mensen gezien
hebben. Een klassieker, enfin.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf + achttien =