Blade Runner




In een recent onderzoek uitgevoerd bij wetenschappers, werd Ridley
Scotts ‘Blade Runner’ uitgeroepen tot de beste SF-film ooit
gemaakt, met Kubricks ‘2001: A Space
Odyssey’
als nipte tweede. ‘Blade Runner’ is tijdens de
voorbije twintig jaar inderdaad gecanoniseerd als één van de grote
prestaties in het genre – mensen hebben dit een visionaire prent
genoemd, een meesterwerk. Een klassieker. Maar soms moet je als
criticus ook al eens tegendraads durven doen – wat mij betreft is
‘Blade Runner’ een visueel pareltje, dat me inhoudelijk echter
steenkoud achterlaat. Het is ontegensprekelijk een belangrijke
film, waarover heel wat te vertellen valt, en z’n opname in een
reeks besprekingen van klassiekers is daarmee meer dan
gerechtvaardigd, denk ik. Maar ik heb de film nu vier keer bekeken
en telkens opnieuw merk ik dat ik zit te proberen om ‘m beter te
vinden dan eigenlijk het geval is. Omdat ‘Blade Runner’ zo’n
immense reputatie heeft, zit ik te zoeken naar goeie dingen, naar
dingen waar ik positief over kan spreken. Maar m’n spontane reactie
is er één van afstandelijke bewondering voor de visuele pracht en
praal. Waarna ik op m’n horloge kijk.

Het jaar is 2019 – de Tyrell Corporation is een machtige
industriële gigant die zogenaamde “replica’s” produceert, humanoïde
robots die bestemd zijn voor slavenarbeid op gekoloniseerde
planeten. Aangezien de replica’s in staat zijn tot reële emoties en
intellectueel superieur zijn aan eender welk mens, raken sommigen
onder hen hun leven als slaaf echter beu, en wanneer er robots in
opstand komen, moeten de “blade runners” in gang schieten, speciale
agenten gespecialiseerd in het opsporen en uitschakelen van
replica’s. Harrison Ford is Deckard, een blade runner die in de
eerste plaats gespecialiseerd is in het mistroostig voor zich uit
staren in een café naar keuze in continu regenachtig Los Angeles.
Wanneer vijf replica’s, onder leiding van Roy (Rutger Hauer),
onstnappen van de planeet waarop ze werkten en koers zetten naar
aarde, wordt hij erbij geroepen om hen tegen te houden.

Het was George Lucas die in 1977, met zijn ‘Star Wars’, het concept
van de ‘used future’ initiëerde – science fiction waarin de
futuristische sets, rekwisieten en kostuums, eruit zagen alsof ze
allemaal al een tijdje hadden moeten meegaan. Ridley Scott nam dat
idee al over in ‘Alien’ in ’79, en in ‘Blade Runner’ voert hij het
principe in rechte lijn door. Geen blinkende nieuwe wagens, geen
hypercompacte, superefficiënte technologische snufjes, niets van
dat alles. In de toekomst is het nog steeds evenzeer behelpen als
nu – auto’s kunnen dan wel vliegen, maar in de eerste plaats zouden
ze eens gewassen moeten worden. Technologische vooruitgang heeft
primair gezorgd voor nóg grotere, onpersoonlijke wolkenkrabbers
waarin mensen als sardientjes op elkaar gepakt zitten, voor nóg
grotere reclamepanelen (de product placement in ‘Blade Runner’
neemt hallucinante proporties aan) of, zoals in het geval van de
replica’s zelf, voor nóg grotere veiligheidsproblemen. De toekomst
van ‘Blade Runner’ bevat eigenlijk nauwelijks vooruitgang. Alleen
modernisering.

En die modernisering is vaak een genot om naar te kijken – Scott
benadert ‘Blade Runner’ als een film noir, en werkt dan ook met
diepe schaduwen, lichten die door luxaflexen naar binnen vallen,
opkringelende rook, neonlichten, fotogeniek neerplensende regen en
vaak lang aangehouden close-ups. Al die visuele motiefjes van de
film noir zien we hier terug, maar dat dan gekoppeld aan special
effects die voor 1982 ronduit spectaculair waren, en nu nog steeds
verrassend geloofwaardig overkomen, gelet op de leeftijd van de
prent. ‘Blade Runner’ is fantastisch om naar te kijken, elk beeld
is een plaatje, zorgvuldig geconstrueerd door een regisseur die
wéét wat compositie betekent, het in elkaar steken van een shot.
Let op die vele beelden van het Tyrell gebouw. Of die finale waarin
Ford aan de rand van een gebouw hangt te bengelen. Rutger Hauers
memorabele vaarwel (All these moments will be lost in time, like
tears in the rain…)
, gevolgd door een slow-motion shot van
een opvliegende duif.

Dat zit dus allemaal wel goed, maar buiten een simpel schouwspel
moet een film ook op het inhoudelijk niveau iets te bieden hebben
dat de moeite van het vermelden waard is. ‘Blade Runner’ heeft
voldoende visuele kracht om als ode aan de film noir mee te kunnen
spelen met de grote jongens, maar de plot op zichzelf is
uiteindelijk niet zo opmerkelijk. Deckard weet vanaf het begin hoe
het verhaal in elkaar zit en hoe de betrokken replicanten eruit
zien – veel detectivewerk is er van zijn kant niet vereist. Hij
volgt de sporen die zichzelf aandienen en na een tijdje botst hij
simpelweg op de robots die hij zoekt. Ook een romance tussen
Deckard en Rachael (Sean Young), een replicante die aanvankelijk
niet eens wéét dat ze geen echt persoon is, komt nogal magertjes
over. Rachael werd door haar schepper gemaakt met een ingebouwd
geheugen vol herinneringen aan een leven dat ze nooit heeft geleid.
Voor zover zij weet, is ze een gewoon mens – tot Deckard haar
koudweg meedeelt dat ze wel degelijk een replica is. Hij somt haar
meest intieme jeugdherinneringen op, omdat hij weet wat Tyrell bij
haar heeft geprogrammeerd. Allemaal goed en wel, dat zijn tamelijk
interessante scènes, maar volgens welke logica komen we van die
situatie plotseling naar één waarin Rachael in staat is om verliefd
te worden op Deckard? Meer dan dat, gezien wat voor hekel Deckard
heeft aan replica’s, waarom zou hij zichzelf toestaan om verliefd
te worden op haar?

‘Blade Runner’ is meer een film van ideeën dan één van plot: het
idee van een hevig gecommercialiseerde toekomst waarin business
alles bepaalt en het concept van menselijkheid steeds verder wordt
uitgehold (wat wel vaker terugkwam bij Philip K. Dick, de schrijver
op wiens kortverhaal de film gebaseerd is). Wanneer wordt een
machine menselijk? Waar gaat hij zich de vragen stellen: wat doe ik
hier en waarom? De manier waarop de replica’s op zoek gaan naar hun
schepper, is weinig meer of minder dan een zoektocht naar God, om
hen die eeuwige vraag te stellen die de mensheid ook al jaar en dag
dwarszit: waarom die flauwe plezante ons eigenlijk gemaakt heeft
als we uiteindelijk tóch de pijp aan Maarten moeten geven. Die
ideeën overleven in de film, maar de verhaalsstructuur waarin ze
gegoten worden, is simpelweg niet zo uitdagend of boeiend als hij
had kunnen zijn.

Bovendien laat Ridley Scott ook hier z’n gebruikelijke neiging tot
bombast weer gelden, met scènes die soms bizar lang worden
uitgerokken (de finale confrontatie tussen Deckard en Roy duurt
twintig minuten, wat op den duur eindeloos gaat lijken) en een
synth muziekscore van Vangelis die ronduit wraakroepend is. Had
Scott ons nu eens in de eerste plaats personages gegeven waarvoor
we iets kunnen voélen of een plot die ons iets méér werk te doen
gaf om ‘m in elkaar te puzzelen, dan had dit inderdaad de
visionaire film kunnen zijn die velen ‘m nu al noemen. Zoals het
is, noem ik dit een interessante mislukking. Visueel interessant
dan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien + zeven =