The Third Man





Het oude adagio luidt dat je drie dingen nodig hebt om een goeie
film te maken: een goed scenario, een goed scenario en een goed
scenario. Over het algemeen ben ik geneigd om daarmee akkoord te
gaan, maar er zijn natuurlijk altijd die paar uitzonderingen die de
regel bevestigen. ‘The Third Man’ is er zo eentje: het klinkt
misschien als heiligschennis, maar het scenario van die film is
niet zó uitzonderlijk – de plot zit goed in elkaar, maar niet beter
dan die van tientallen andere misdaadfilms uit die tijd en er zijn
nauwelijks memorabele dialogen aanwezig, behalve dan de beroemde
“koekoeksklok”-speech van Orson Welles. Een speech die dan nog door
Welles zelf geschreven werd, niet door Graham Greene. Wat ‘The
Third Man’ zo bijzonder maakt, is de manier waarop alle andere
elementen, van de muziek over de acteurs tot de fotografie,
samenspannen om hier een meesterwerk van te maken, of het scenario
nu wil of niet.

Joseph Cotton speelt Holly Martins, een schrijver van goedkope
avonturenromans die in financiële moeilijkheden zit en door zijn
oude vriend Harry Lime uitgenodigd werd om naar Wenen te komen
werken. Het Wenen van deze film is een soort van spookstad, met
gebouwen die in puin liggen en mensen die vlak na de Tweede
Wereldoorlog geen flauw idee lijken te hebben hoe ze nu verder
moeten met hun leven.

Martins ontdekt bij zijn aankomst echter dat zijn goeie vriend
overleden is bij wat omschreven wordt als een ongeval. De
getuigenissen over Harry Lime bij leven en dood zijn op zachtst
gezegd eigenaardig te noemen: was hij een zakenman of een
zwarthandelaar die geen moer inzat met het leven van anderen? Waren
er twee mensen aanwezig bij z’n dood of drie? En wie was dan die
derde man?

Een goeie plot, daar niet van, met aanwijzingen die netjes in
elkaar klikken en die nergens de regels van de logica echt lijken
te doorbreken. Maar opmerkelijk genoeg om de film meer dan vijftig
jaar na dato nog steeds in leven te houden als een meesterwerk?
Welnee. Aan het centrum van ‘The Third Man’ staat helemaal geen
zwendel met medicijnen en al zeker geen moordmysterie. Het gaat
niet om de misdaad, de misdaad is bijkomstig. Het gaat om de
misdadiger. De figuur Harry Lime op zichzelf is veel belangrijker
dan eender welk crimineel plan dat hij aan het uitbroeden is. De
voornaamste reden voor het succes van de film, is de manier waarop
dat personage wordt opgezet: meer dan een uur lang wordt er over
Harry Lime gesproken, zonder dat we hem ooit te zien krijgen. Er
wordt over hem getheoretiseerd, hij wordt afgeschilderd als de
duivel in hoogsteigen persoon – Lime is een schaduw die over de
hele film hangt. Wat maakt het uit of hij in medicijnen handelt,
mensen vermoordt of oude dametjes hun handtas steelt? We hebben het
over Harry Lime, en die man is gewoon bad to the bone. Dat
wordt zo dikwijls herhaald, dat punt wordt zodanig doorgedreven
tijdens het eerste uur van de film, dat we het gevoel hebben dat
Lime, die slechts 15 minuten in beeld komt in de hele prent,
eigenlijk het hoofdpersonage is.

Het risico daarvan is natuurlijk dat je je publiek zwaar gaat
teleurstellen wanneer je dan toch verplicht wordt om die duivelse
slechterik te tonen – een anticlimax op dat punt zou heel de film
vernielen. De scène waarin Lime wordt geïntroduceerd, is ronduit
briljant: hij duikt op uit de schaduwen van een nis, we krijgen
close-ups van z’n voeten, zijn handen en uiteindelijk z’n gezicht.
Orson Welles werd geboren om Lime te spelen: met z’n gladde charme
en z’n vlotte manier van doen is hij een bijzonder charismatisch
personage. Dat is wat hem zo gevaarlijk maakt. Die dreiging is
constant voelbaar.

Wat ook helpt, is natuurlijk de rijke, onheilspellende fotografie:
regisseur Carol Reed maakt haast continu gebruik van scheve
kadreringen om het idee mee te geven dat er iets niet helemaal
klopt, en hij gebruikt zeer geforceerde, bijna theatrale belichting
om de mood van de film te versterken. ‘The Third Man’ is
opgetrokken uit schaduwen – Welles speelt hier zowat de helft van
z’n rol in silhouet. Let op een scène waarin Martins met Lime heeft
afgesproken in het Café Mozart. Opnieuw komt Lime tevoorschijn uit
de schaduwen. Hij loopt over een in puin gelegde muur heen en stapt
in het licht – waar komt dat licht vandaan? Van de spotlights op de
filmset, natuurlijk, vanwaar zou het anders komen? Het wordt niet
verondersteld om realistisch te zijn, het moet expressief zijn. Die
belichting, die scheve shots en natuurlijk de look van het half
platgelegde Wenen maken van ‘The Third Man’ een ongezien knap
gefotografeerde film.

En alsof dat nog niet genoeg is, krijgen we ook nog eens de
beroemde zithermuziek van Anton Karas, een instrument dat op dat
moment nog nooit gebruikt was voor een film. Die muziek klinkt in
eerste instantie niét als thrillermuziek – waar de meeste thrillers
ons de emoties en de spanning met de paplepel willen ingeven, krijg
je hier een deuntje dat eigenlijk vrij neutraal klinkt, dat
intrinsiek geen spanning oproept. Maar net zoals de naam Harry Lime
een soort van mantra wordt voor de personages, tot die een eigen
leven gaat leiden, is dat het geval voor de muziek – de naam Lime
hoeft maar te vallen of daar zijn ze met hun zither. Het gevolg is
dat je een soort van Pavlovreactie creëert bij het publiek: als je
die muziek hoort, dan weet je dat er iets mis is. Je kunt misschien
niet specifiek zeggen wàt, maar er klopt gewoon iets niet. Dat is
een zeer subtiel gevoel van onrust dat wordt opgewekt – een soort
van subtiliteit die tegenwoordig nog maar weinig aan bod
komt.

Wat een lef om ‘The Third Man’ te maken zoals hij is: een
slechterik die je pas drie kwartier voor het einde voor het eerst
laat zien, een bitter slot dat nauwelijks enige hoop lijkt achter
te laten voor de nominale held van het verhaal en een muziekscore
die in feite weinig met de rest van de film te maken lijkt te
hebben. Soms wordt moed beloond, veronderstel ik.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien − vier =