Die Hard with a Vengeance




122

Toen ‘Die Hard
2’
uitkwam, klonken er al heel wat stemmen die voorspelden dat
de reeks eindeloos zou worden uitgemolken. Waarom ook niet, het
enige dat je nodig had, was immers Bruce Willis in een vuil
marcelleke en een afgesloten locatie. Een torengebouw en een
luchthaven hadden we al gehad, nu was het nog wachten op ‘Die Hard’ in een
winkelcentrum, ‘Die
Hard’
in een kleuterschool en ‘Die Hard’ in het
herentoilet van een gay club. Niet dat veel mensen er op
zaten te wachten – Renny Harlin had het tweede deel zodanig
routineus aangepakt dat de serie indien niet voor dood, dan toch
voor onrustwekkend-bloed-ophoestend werd verklaard. Maar kijk, in
’95 werd origineel regisseur John McTiernan er weer bij geroepen en
de derde ‘Die
Hard’
uit de reeks bewees dat er nog hoop was. ‘Die Hard with a
Vengeance’ kon nog steeds langs geen kanten tippen aan het
spetterende origineel, maar het was wel een geinige actiefilm, die
de nadruk sterker op de humor legde dan op de suspense.

Enkele jaren na de tweede film woont John McClane weer in New
York, gescheiden van zijn vrouw Holly en zwaar aan de drank. De
rust van zijn beneveling wordt echter zwaar verstoord wanneer een
maniak een warenhuis in het centrum van de stad opblaast, en
vervolgens de politie opbelt met de vraag om uitgerekend McClane te
spreken. De terrorist, die zichzelf Simon laat noemen (Jeremy Irons
amuseert zich blijkbaar wel als slechterik), laat McClane
vervolgens door de hele stad rennen, op zoek naar andere bommen.
Zijn echte bedoelingen zijn echter nog anders: Simon wil met behulp
van zijn chemiesetje vol explosieven heel Wall Street
leegplunderen.

‘Die Hard with a Vengeance’ werd in zijn tijd behoorlijk
bekritiseerd omdat de formule van de vorige twee films ermee
doorbroken werd. In plaats van Bruce Willis voor de derde keer op
rij vast te zetten op één plek waarvan hij niet kon ontsnappen,
wordt ditmaal heel New York als achtergrond gebruikt, en zijn de
meest memorabele actiesegmenten juist degene waarin McClane en zijn
gelegenheids-sideckick Zeus (Samuel L. Jackson) door de
stad sjezen om de timers van de bommen te snel af te zijn. Het
verhaal speelt zich zelfs niet meer af met kerstmis, maar in putje
zomer, met een hitte die tijdens het eerste uur van de film zó van
het scherm af slaat. “Dit is geen ‘Die Hard’ meer,” orakelden de
critikasters, en in zekere zin hadden ze gelijk. McTiernan en co
doen hun best om ‘Vengeance’ te koppelen aan de eerste film, door
van de slechterik de broer te maken van Hans Gruber, de schurk van
de originele ‘Die
Hard’
, maar let’s face it, als je de namen en een paar
verwijzingen had veranderd, had de film net zo goed op zichzelf
kunnen staan.

‘Vengeance’ lijkt eerder in te spelen op de buddy
movies
die het zo goed deden tijdens de eerste helft van de
jaren negentig – het meest opvallend natuurlijk ‘Lethal Weapon’.
Willis wordt al snel gekoppeld aan een komisch nevenpersonage dat
hem helpt, de dialogen zijn veel meer dan in de eerste twee films
geschreven op snedigheid, en we krijgen zelfs een zwart-wit
tegenstelling tussen de hoofdpersonages. McTiernan en scenarist
Jonathan Hensleigh laten in feite hun eigen formule vallen om die
van een ander over te nemen.

Bijster origineel kun je ‘Vengeance’ dan ook niet noemen – de
opzet ervan is vergelijkbaar met zowat alle actiekomedies uit dat
tijdperk, dat toch al vergeven was van de actiekomedies. Maar
toch: een rechtstreekse herhaling van de vorige twee films wordt in
ieder geval vermeden, en McTiernan slaagt er in één moeite door in
om één van de leukere voorbeelden van het genre te creëren. Hij en
Hensleigh scheppen er een duidelijk genoegen in om de clichés van
het flikkengenre sterk in de verf te zetten: McClane is vanwege
zijn onhandelbaar gedrag geschorst en wanneer zijn chef hem door de
omstandigheden terug op actief moet zetten, spreekt hij de
onsterfelijke one-liner: You better find whatever rock he’s
hiding under… and kick it over!
Geforceerde close-ups van
verweerde ventensmoelen en gestileerde tough man’s talk
domineren alles, en de sfeer is meteen gezet: dit wordt een
jongensfantasie. Een film voor het tienjarig kind in ons allemaal,
voor wie een slechterik pas een slechterik is als hij een Duits
accent heeft. Veel later in het verhaal krijg je zelfs een scène
waarin een zwetende kerel moet uitmaken of hij het blauwe of rode
draadje van de bom zal doorknippen, wat wil je nog meer?

Tijdens het eerste uur kan ‘Vengeance’ zelfs verrassend goed
incasseren op die belofte. De wisselwerking tussen Willis en
Jackson levert leuke scènes op, de dialogen zijn vaak erg grappig
(Don’t fuck with me or I’ll shove a lightning bolt up your
ass!)
en zo lang de actie geconcentreerd is in het centrum van
Manhattan, valt er erg veel fun mee te beleven. De achtervolging
van een metrotrein, dwars door Central Park, behoort tot het
leukste uit de ‘Die Hard’-reeks tot dan toe. De eerste film blijft
natuurlijk onovertrefbaar in z’n spanningsopbouw en
vindingrijkheid, maar ‘Vengeance’ verlegt de nadruk naar humor,
naar een “het is allemaal maar om te lachen”-mentaliteit, en op z’n
eigen manier werkt dat ook wel.

De problemen komen pas opzetten tijdens het tweede uur, wanneer
de plot zich verplaatst naar de haven – een wending rond een school
waar Simon een enorme bom verstopt zou hebben, komt nooit echt
geloofwaardig over en de actie verliest stilletjesaan z’n frisheid.
Een laatste scène, aan de grens met Canada, is er echt te veel aan;
een climax bovenop een climax bovenop een climax. ‘Die Hard with a
Vengeance’ is een film die zich best laat vergelijken met een
lawaaierig speelgoedje – het is bijzonder leuk, maar het mag niet
op je zenuwen gaan werken. En dat begint naar het einde toe dus wél
te gebeuren.

Bruce Willis draagt zijn onderhemdje met meer aplomb dan ooit;
hij grijnst, spuwt vulgariteiten en klaagt dat hij koppijn heeft
terwijl hij dik tegen zijn zin het land redt – right on!
Samuel L. Jackson zet dan weer al zijn dialogen om naar de razend
fascinerende taal Samuel L. Jacksiaans, een variant op het
Engels die dan wel door iedereen te begrijpen is, maar zich toch
aanzienlijk onderscheidt door z’n intense mate van
coolness. Jeremy Irons, ten slotte, is een degelijke
schurk, maar hij slaagt er niet in om de onnavolgbare Alan Rickman
te doen vergeten.

‘Die Hard with a Vengeance’ is dus zeker niet over de hele lijn
geslaagd, maar na de teleurstelling van ‘Die Hard 2’ toonde hij
wél aan dat de reeks open stond voor vernieuwing, dat er nog wegen
waren die John McClane uit kon voordat hij bij het groot vuil werd
gezet. Waarvan akte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × 1 =