Graham Greene :: Het eind van de relatie

Beduimelde klassiekers van onder het stof halen: het is waar uitgevers Athenaeum – Polak & Van Gennep zich met de Perpetuareeks al verschillende jaren om bekommeren. Honderd titels zullen er uiteindelijk in deze tijdloze serie verschijnen, en eigenlijk is elke uitgave er een om naar uit te kijken. The end of the affair, van de hand van Graham Greene, mag dan geen vergeten bladzijde uit de literatuurgeschiedenis zijn, de pas verschenen nieuwe vertaling van Peter Verstegen ontsluit het vakmanschap van de Britse auteur voor een generatie die ’s mans naam alleen kent van horen zeggen.

In zekere zin is Greene voor zogenaamde literatuurwetenschappers een probleemgeval. Met een nalatenschap die onder meer The Quiet American, Our Man in Havana, The Third Man, The Power and the Glory en Brighton Rock bevat, kan er gerust gesproken worden over een onsterfelijk oeuvre. Toch evolueert het werk van de auteur langzaam maar zeker richting de marge. Liefhebbers weten dat deze boeken er zijn, maar ze worden minder dan vroeger gelezen. Hoe dat komt? Misschien omdat Greenes romans zich in hun tijdsgewricht hebben genesteld, en dus een product zijn van de 20ste eeuw. Ze memoreren de Tweede Wereldoorlog en het tijdperk van inlichtingendiensten en spionage, ook in niet-politieke romans zoals The end of the affair, die zich afspeelt tegen het decor van de bombardementen tijdens de oorlog, met een prominente rol voor een privédetective. Is dat vandaag de dag ouderwets geworden? Toch enigszins, maar niettemin is het onvoldoende reden om Greene uit de annalen van de geschiedenis te schrappen. Het hoeft geen betoog dat talloze romans – door het verhalende metier van de schrijver, door de stijl, door de universele thematiek die voor het voetlicht wordt geplaatst ongeacht het historische panorama, et cetera – hun context moeiteloos overstijgen.

Dat geldt ook voor The end of the affair, zoals de jury die de Perpetuareeks samenstelt gelukkig heeft aangevoeld. Maar even terug naar de dalende populariteit van Greene als auteur: waar heeft die mee te maken? Misschien met het feit dat zijn romans toegankelijk zijn, en spannend, met een haast nonchalante zwier geschreven, niet gespeend van een komische toets. Het is die meesterlijke cocktail die hem destijds roem opleverde, maar vandaag misschien minder gegeerd maakt? Ibe Rossel zou allicht opmerken dat schrijvers die zich ostentatief over de moraal buigen – en zo duiken er in de Perpetuareeks nogal wat op – onder (uiteraard zelfverklaarde) connaisseurs meer respect genieten. Is en blijft ernst echter niet de allergrootste zonde van diegenen die menen met kennis van zaken te (mogen) spreken? Hoe dan ook, Greene roept met hoofdpersonage Maurice Bendrix een verteller in het leven die maar al te graag zijn vinnige ironie en eloquente plagerijen etaleert. Niettemin behandelt het boek de universele menselijke conditie, in de hoedanigheid van een onmogelijke relatie tussen een alleenstaande schrijver en een getrouwde vrouw. Het is een onderzoek naar de innige verstrengeling tussen haat en liefde, en hoe jaloezie als zelfvervullende profetie een onvermijdelijke neergang afkondigt.

In haar nawoord bij deze editie poneert Kristien Hemmerechts dat Sarah, naar wiens liefde Bendrix hunkert, vooral als lichaam verschijnt, als object. Inderdaad situeert het boek zich in een tijdsgewricht dat zich al te weinig bewust was van gendergelijkheid, en domineert het mannelijke perspectief op lust en op sociaal verkeer. Toch gaat Hemmerechts te kort door de bocht, want het wonder dat Greene met het vorderen van de bladzijden laat geschieden, is dat het personage, ondanks Bendrix’ door ziekelijke afgunst getekende (en dus misvormende) bril, verwordt tot een mens van vlees en bloed, zelfs bijna een heilige die eerder in een boek van Dostojevski thuishoort. Die enorme metamorfose, een reis doorheen het integrale spectrum tussen “kwaad” en “goed”, is bij Greene geen onhandige narratieve anomalie, maar een waarachtig proces, een ‘wording’ die de lezer latent ervaart en die voor grote ontroering borg staat.

Naar verluidt valt een modern lezerspubliek vandaag wel eens over de nadrukkelijke thematisering van religie. In de liefdesdriehoek die bestaat tussen Sarah, haar partner Henry en Bendrix, introduceert Greene het transcendente, als leidend principe in een mensenleven. Een rationalist die het hogere ontkent en een dominee die het katholicisme vertegenwoordigt, belichamen bovendien de antipoden waartussen Bendrix zich geworpen weet, intens worstelend met de God die tussen hem en zijn geluk in staat – althans dat denkt hij. Als onderwerp niet bepaald ‘actueel’, maar uiteraard tijdloos qua relevantie. Finaal deemstert doorheen de finale immers de vraag of Bendrix erin zal slagen zich werkelijk tot de ander te verhouden, door af te zien van wat voor hem ‘waarheid’ is, en de werkelijkheid in haar mystieke onbevattelijkheid tot hem te laten doordringen. Kan de schrijver ophouden zijn omgeving als ‘kopij’, als personage te begrijpen en te ervaren? Anders geformuleerd: kunnen we écht tot de ander komen? Als dat geen tijdloze vraag is, welke dan wel?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in