Bon Voyage



Het getuigt van een eigenaardig soort roekeloosheid om in 2003
nog een film als ‘Bon Voyage’ te durven maken: terwijl ons vanuit
de VS steeds meer uit CGI opgetrokken, fel opgeblazen
actiespektakels bereiken, komt hier een bewust ouderwetse
avonturenkomedie, die het moet hebben van snel taterende acteurs en
bij de haren gesleurde, haast kluchtige situaties. Jean-Paul
Rappeneau, ooit regisseur van het prachtige ‘Cyrano De Bergerac’,
levert ons een toch o zo charmant blijspel van de oude school af,
die zo retro is, dat u best in kostuum met strikje en een hoge hoed
kunt gaan kijken. En niet vergeten te applaudisseren als het
afgelopen is. Grégori Derangère speelt Frédéric Auger, een
aspirant-schrijver in het Parijs van 1940, slecht enkele maanden
voor de Duitsers zullen binnenvallen. Hij is niet zo heimelijk
verliefd op zijn buurmeisje van toen, Viviane Denvers (Isabelle
Adjani), die nu een grote filmster is geworden. Viviane ziet hem
echter alleen staan wanneer ze hem nodig heeft.

Wanneer na een première een financier te handtastelijk wordt,
brengt Viviane deze – al dan niet per ongeluk – om het leven, en ze
belt Frédéric op om haar te helpen. De sukkelaar wordt door de
politie opgepakt met het lijk in z’n wagen, en belandt enkele
maanden lang de gevangenis in, zonder dat Viviane een vinger
uitsteekt om hem te helpen. Wanneer de Duisters Parijs
binnenvallen, weet Frédéric in de chaos te ontsnappen uit zijn cel,
en hij besluit Viviane op te zoeken.

De actrice is ondertussen gaan samenhokken met Jean-Etienne
Beaufort (Gérard Depardieu), een politicus die ten alle prijze een
wapenstilstand met Duitsland wil afdwingen. Frédéric volgt hen naar
Bordeaux, en maakt onderweg kennis met Camille (Virginie Ledoyen),
een knap jong meisje dat een oude professor wil helpen om samen met
een lading zwaar water naar Engeland te vluchten.

‘Bon Voyage’ is een ode aan de Franse cinema van de jaren
veertig en vijftig, en het eerste element waaruit dat af te leiden
valt, is de plot. Rappeneau vertrekt vanuit een eenvoudige situatie
tussen twee personages (de kwestie met het lijk in de auto), en
begint daar dan op verder te borduren, tot we tegen het einde een
uitgebreide intrige krijgen, waarbij een tiental personages
betrokken zijn. Het hele verhaal is opgesteld volgens het
domino-effect: de éne gebeurtenis leidt tot de volgende, en de
chaos wordt gaandeweg steeds groter. Zo krijgen we spionnen en
upper-class trutten, intrigerende filmsterren en politieke
fezelaars, sympathieke schurken en (uiteraard) de ravissante dame
in nood. Dit is het soort van verhaal dat maar al te makkelijk in
de jaren vijftig gemaakt had kunnen worden, met misschien Bourvil
in een belangrijke rol.

Dat sfeertje heeft het ook: alle acteurs staan erg energiek door
de decors te benen, soms op het randje van het hysterische af.
Gedeeltelijk wordt dat verantwoord door de plot: het zijn nu
eenmaal chaotische dagen in Frankrijk, met overal mensen die op de
vlucht zijn, die niet weten hoe het nu verder moet. Maar de toon
van de film is er al vanaf het begin lichtjes over: let op Adjani’s
reacties wanneer ze Derangère het lijk van de financier laat zien.
Dat is de toon van zo’n typisch overspannen Frans blijspel van
weleer.

Dat dat drukke gedoe toch niet gaat enerveren, is één van de
grote verdiensten van Rappeneau voor deze film. Af en toe zoekt hij
een rustpunt, waarop de personages even kunnen kalmeren en een stil
moment onder elkaar doorbrengen. Een zeer mooie, natuurlijke scène
tussen Derangère en Ledoyen in een nachtelijke keuken, is daar een
uitstekend voorbeeld van. Of het afscheid van Depardieu en Adjani.
Die rustige momenten zijn zeldzaam: ‘Bon Voyage’ is een wervelwind
van energie waarin snel wordt gesproken, snel wordt gehandeld en
snel wordt beslist, maar ze zijn er wel.

Wie ooit ‘Cyrano’ heeft gezien of zelfs het vreselijk
langdradige ‘Le Hussard Sur Le Toît’, weet dat Rappeneau mooie
beelden tevoorschijn kan toveren, en ook hier toont hij zich een
formidabele stilist. Let op dat eerste shot van Bordeaux: de met
wagens en mensen volgepakte brug! Of die finale in de mist op een
landweg! De regisseur fundeert zijn verhaal, hoe over de top het
ook mag zijn, in een historische werkelijkheid, wat het voor het
publiek makkelijker maakt om de meer uitzinnige plotwendingen te
blijven aanvaarden. Hij voegt korte, maar veelzeggende scènes in,
waarin we de upper class van een stervend Frankrijk in de bar van
een hotel zien zitten zonder dat ze zich ergens zorgen over maken.
Mensen die zich onkwetsbaar voelen dankzij hun geld – dat er
tientallen, honderden anderen van hun status ondertussen
vruchteloos aan de balie van dat hotel om een kamer smeken, zegt
hen niets. Laat staan de duizenden anderen met minder geld en
bezittingen. Ondertussen zien we de overheid paniekerig samenkomen
in een schooltje in Bordeaux, in een poging een beslissing te nemen
in een situatie waarin er geen juiste beslissing bestaat. Dat soort
van momenten zorgen ervoor dat ‘Bon Voyage’ niet bezwijkt onder z’n
eigen lichtheid.

‘Bon Voyage’ is een zeer bewust oubollige film, en daar moet je
maar op ingesteld zijn. De kans bestaat dat een aantal mensen
behoorlijk zal afknappen op die ouderwetse stijl, maar ik was meer
dan gecharmeerd. Ja, oké, het einde wordt wat te lang uitgerokken,
maar wat dan nog? Dit is de ideale zondagmiddagfilm, voorbestemd om
tot lengte van dagen tijdens lome, zomerse weekends op tv vertoond
te worden. En wat is daar mis mee?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + negentien =