The Time Machine



96 min. / USA

De bekendste – en voor puristen wellicht de enige echte
– verfilming van de beroemde SF-roman ‘The Time Machine’ van H.G.
Wells, is die uit 1960 van George Pal. Die film is ondertussen een
klassieker geworden, en maakte elke verdere verfilming eigenlijk
overbodig, maar hey, regisseur Simon Wells is nu eenmaal een
achterkleinzoon van de beroemde schrijver. Kun je het hem kwalijk
nemen zelf een ode aan zijn overgrootvader te willen brengen?

Na het zien van de film: ja en nee. ‘The Time Machine’ is niet zo
slecht als heel wat critici beweerd hebben, maar dat is nog geen
reden om hem in eender welk top tien lijstje te zetten.

De plot maar even, voor wie die nog niet mocht kennen: Guy Pearce
speelt Alexander Hartdegen, een geobsedeerde wetenschapper die een
tijdmachine uitvindt om terug te reizen in de tijd en op die manier
een overval te voorkomen die zijn vriendin het leven zal kosten.
Dat lukt – op de één of andere manier neemt Pearce zijn eigen
plaats in die bewuste avond, en leidt haar veilig om de plaats van
de misdaad heen. Enkel om zijn geliefde enkele minuten later alsnog
te verliezen wanneer ze wordt overreden door een kar met
paarden.

Die scène is zowel de beste als de slechtste uit de film; we hebben
deze dame als eens zien sterven toen ze werd neergestoken door een
dief. We hebben Pearce zien afdalen in een bezeten rouw van vier
jaar, tot hij kon terugreizen. Dan wil hij haar bloemen gaan kopen,
en vlak achter zijn rug, bam! Dat ongeval gebeurt zo plots dat het
bijna uit een film van de broertjes Zucker had kunnen komen – in
‘The Naked Gun’ gebeurden dit soort dingen op de achtergrond bij
wijze van grap. Hier is het ernstig bedoeld natuurlijk, maar daarom
niet minder grappig.

Waarom is het ook de beste scène? Wel, ik kon ten eerste het grapje
wel waarderen dat de bloemenwinkel waar Pearce binnenstapt “Fleur
de Lis” heet – wie ‘LA Confidential’ heeft gezien, ook met Pearce,
zal deze naam wel herkennen. En ten tweede zou je deze scène ook
kunnen opvatten als een teken naar het publiek om het allemaal niet
ernstig te nemen. Als knipoog naar de kijker kan dit tellen.

Dat laatste klinkt misschien weinig waarschijnlijk, maar dat soort
knipogen krijg je nóg. Uit verdriet reist Hartdegen immers naar de
toekomst, aanvankelijk naar 2037, waar hij een interactief museum
binnenstapt en een geanimeerde Orlando Jones hem informeert over
tijdreizen door hem een kopie van het boek ‘The Time Machine’ van
H.G. Wells aan te raden. Het hele optreden van Jones is een grap.
En dan heb ik het nog niet over Jeremy Irons, die aan het einde van
de film acte de présence geeft… Làchen!

Enfin. Hartdegen reist verder, 800.000 jaar in de toekomst, een
tijd waarin de maan grotendeels uit elkaar is gespat en de mensheid
zich heeft geëvolueerd in twee rassen: de Eloi en de Morlocks. De
Eloi zien eruit alsof ze uit een brochure voor Club Med komen
gestapt: gebruinde, ranke lijven en een schier onuitputtelijke
voorraad shampoo van Garnier waarmee ze hun haar in vorm houden
zoals geen enkel volk van landbouwers zonder een notie van
elektriciteit of beschaving zoals wij die nu kennen, dat zou
presteren.

De Morlocks zijn afzichtelijke wezens die ondergronds leven en af
en toe op jacht gaan naar Eloi, die ze dan meenemen door hun
Morlockgaten, de duisternis in.

De Morlocks zijn één van de meest twijfelachtige punten in de film;
afhankelijk van de scène, worden ze gespeeld door mannen in
rubberen pakken (of zo lijkt het althans), of volledig geanimeerd
met CGI. De verschillen zijn duidelijk te zien en zorgen ervoor dat
de kijker door de special effects uit de film wordt gehaald, in
plaats van er dieper ingeduwd te worden.

Wat vreemd is, aangezien andere effectenshot werkelijk briljant
gedaan zijn. De scène waarin Pearce voor het eerst door de tijd
reist, is werkelijk indrukwekkend – we zien de seizoenen letterlijk
om hem heen veranderen, gebouwen komen en gaan tot hij zich in de
toekomst bevindt. Alleen voor dat éne shot al zou deze film de
moeite waard zijn.

Geloofwaardigheidsproblemen blijven de film echter achtervolgen. Na
dat eerste lachwekkende moment bij de dood van Pearce’s lief – voor
de tweede keer – volgt in de verre toekomst een bij de haren
gesleurd liefdesverhaaltje tussen Pearce en een plaatselijke
schone. Die trouwens, en is dàt niet handig, zelfs Engels praat,
als enige van haar stam. Laat de maan op de aarde vallen en de hele
beschaving ten onder gaan, Engels zal altijd gesproken
worden.

Daar komt nog bij dat Guy Pearce ontzettend teleurstelt – hij
schijnt zich niet te realiseren in wat voor onnozele film hij
terecht is gekomen, en hij speelt elke emotie reëel. Jeremy Irons,
die voor het einde nog even komt opduiken, zet gewoon zijn werk van
het – veel slechtere – ‘Dungeons And Dragons’ voort en overacteert
dat het geen naam heeft. Zoals het hoort in dit soort film. Pierce
schijnt te denken in een filosofisch drama te zitten.

Dat allemaal om aan een einde te geraken dat geen moment
geloofwaardig is. Ik wil maar zeggen: Club Med is leuk, maar om er
heel je leven door te brengen? Uh-uh!

‘The Time Machine’ bevat momenten van charmante, onschuldige humor
en prachtige special effects die echt de moeite waard zijn. Het
gaat geweldig goed vooruit, het is een film die leeft en beweegt.
Maar het gaat nergens naartoe. Uiteindelijk is dit een zoveelste
overbodige remake, beter gedaan dan sommige, dommer dan vele.

http://timemachinethemovie.co.uk/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + twintig =