“So many bands so little time”, het is het levensmotto van elke muziekliefhebber, en dus vanzelfsprekend ook de slogan van Left Of The Dial. Ook dit jaar was het Rotterdamse ontdekkingsfestival dé plek om de snoepjes van morgen of overmorgen nu al eens te proeven. Door de wind, door de regen, dwars door herfststorm Austen heen, spoedden uw verslaggevers zich van zaal naar zaal.
Ligt het aan ons, of worden ze elk jaar jonger, die young hopefuls die zich hier aanmelden? In de Rotterdamse binnenstad staan ze met blinkende ogen, een opgewonden blos op de wangen, en een van stress verschietende stem. En soms hoor je hoe er talent aan het ontbolsteren is, achter al dat enthousiasme een belofte voor morgen schuil gaat.
Neem nu Casual Smart, jonkies uit Cardiff die als eerste in een lange rij zullen opmerken hoe dit hun eerste show op het vasteland is. Daar dient dit festival dan ook voor; om het water te testen, de teen buiten de eigen gouw te steken. Al moet toch even meegedeeld dat toetsenist Peter Martin geboren is in Almere; “what a place!” En weg zijn ze, in alweer een volgend nummer, een vlot in het oor liggende rocksong. Ze doen het allemaal zo gemakkelijk lijken; met hun collectief gevoel, waarbij het zingen vlot van de een naar de ander wordt doorgeschoven, ademen ze heel erg “nu”, en je kijkt er met sympathie naar, want “58”, over een buslijn daar in het Welshe thuisland, is wel degelijk erg mooi.
Ook het meer folky ingestelde The Slow Country surft op groepsgevoel. “We’re a stadium band, trapped in a cellar’s body”, grapt gitarist Joe Darley, want zo krap staan ze daar wel met zijn zevenen op het kleine podium van de kelder van Uniek. En hoor je aanvankelijk weinig overtuigende songs, dan is er altijd wel een gloedvolle bridge, een instrumentaal stuk dat pakt. Het spelplezier van de muzikanten spat er ondertussen van af, en zo begint het langzame veroveren op charme, op onweerstaanbaarheid. Plots besef je dat je al een stuk aan het mee neuriën bent, kun je niet anders dan goedkeurend knikken bij een bevlogen cover van “Fisherman’s Blues” van The Waterboys. The Slow Country moet ongetwijfeld nog veel leren, maar kan nu al zoveel dat er wel iets goeds moet uitkomen.
Het is een gevoel dat we ook aan de vreemd opgebouwde set van Black Nylon overhouden. Even lijkt het alsof de band nog altijd aan het soundchecken is, maar neen: dat zo kwansuis ingezette “Juliette” is wel degelijk het begin van het optreden, en dat is jammer. Zo ga je niet met een prijsbeest van een song om, en dat is die single wel degelijk. Gitaristen Pierce en Kilian hebben hun Deftones-gitaargeluid tot in de puntjes geperfectioneerd, bassist Sam O’Brien galmt als frontman als de beste. En hoe de groep het nummer neerlegt om er opnieuw een loeiende coda aan te breien, laat horen dat hij weet hoe een song werkt. Toch wringt het soms, als O’Brien te hard zijn hang naar stadionrock botviert, nummers die meer een punksfeer opzoeken missen de power van “Juliette”. Die krijgen we terug in een later nummer, gezegend met een straffe melodie, maar ook daar blijft het gevaar van het grote gebaar om de hoek loeren. Doseren: het is een kunst die je moet leren.
De geur van opportunisme
So bad they’re gonna be big: in de grote zaal van Theater Rotterdam staat The Guest List uit Manchester zo nadrukkelijk naar het Britpopschap te hengelen, dat de anorak van zanger-gitarist Cai Alty een beetje potsierlijk wordt. En toch kun je niet ontkennen dat opener “You Should Care” een song is die werkt, “Ruine” een goeie galmende rocker.
Alles rolt, zingt, knettert zoals een bandje hoort te doen; The Guest List beheerst het klassieke kookboek tot in de puntjes, maar komt op geen enkel moment geloofwaardig over. Natuurlijk eindigt het met “Mary” onherroepelijk in Coldplayland, en dat spelt heel hard N.E.E.N. Je weet dat Werchter dit soort laffe stadionrock nu al rijp acht voor The Slope, Nest, of hoe dat podium volgend jaar ook zal heten, maar dat maakt het daarom niet beter. Rond dit optreden hing een geur van opportunisme.
En het is nochtans niet dat de jaren negentig op dit Left Of The Dial niet hebben gebeld. Bij het Amerikaanse Jawdropped klinkt dat alsof Teenage Fanclub en Jay Mascis een liefdesbaby hebben gemaakt. Het is indierock met een sympathiek gezicht, maar het janglet helaas minder dan gehoopt. En heren/dames/lieve kleine aliens van programmatoren van Left Of The Dial: als jullie een optreden plannen in fuifzaal Stalles, waar het geluid zo ontieglijk hard staat dat je er van wegloopt, dan doe je een band geen cadeau. Zelfs onze oordoppen bleken niet genoeg bescherming om dit lang te verdragen.
De zoveelste keer ‘dit is ons eerste Europese optreden’ – neen schattebol, het Verenigd Koninkrijk maakt nog altijd deel uit van dit continent – maar Ugly Ozo doet dan ook weinig moeite om echt zieltjes te winnen. Achter de ronduit slechte bandnaam gaan de zusjes Jessica en Boo Baker en hun drummer Tristan Northard schuil, maar ook een middelmatige groep. We gaan van “dit is een song over mijn shitty ex” – waarom krijgen we toch altijd het gevoel dat de mannelijke helft van het VK en de VS zo hard niet deugt? – naar “de volgende is een liefdesliedje”, en achter me lost een vrouw een schamper lachje. Ach, je kunt niet kwaad zijn op dit trio, maar overtuigen doen ze helemaal niet. En dat ene nummer “voor de girls” dat wel heel erg naar Wet Leg rook? Dat krijg je natuurlijk als je roots net als die van hen op Isle Of Wight liggen.
Bloodworm – “Because… worms are funny?” – zoekt het dan weer in de jaren tachtig, en dat zagen we na ons online studiewerk vooraf gek genoeg niet komen. Toch valt er niet naast de Cure-sferen te luisteren, de op en neer zingende gitaarlijntjes. Ergens glimlacht Johnny Marr goedkeurend, maar toch weet de groep pas te overtuigen als zijn new wave een vleug americana meekrijgt. Dan overrompelt dat “Alone In Your Garden” van Spotify toch, alleen is het hier een uitzondering en niet de vertegenwoordiger van wat je mag verwachten. Dat is jammer, want Bloodworm heeft nummers van dit kaliber nodig als het echt iets wil worden.
Woordendebiet, hongerige bas
Rock, folk, Deftones: er is dit jaar inderdaad geen lijn in de programmatie te vinden. Leek Left Of The Dial de afgelopen vijf jaar zowat het ‘official unofficial’ thuisfestival van all things postpunk, dan is dat genre dit jaar in veel mindere mate vertegenwoordigd. Enkel Hungry, afkomstig uit Manchester, valt op ons parcours in die sferen te situeren, en doet nog een goeie gooi om ergens tussen Shame en Deadletter in de eer hoog te houden. Frontman Jacob Peck heeft een woordendebiet Zack Lawrence waardig, de band achter hem maakt er een erezaak van hem bij te houden. Terecht dus dat de bovenzaal van discotheek Annabel ramvol zit voor deze groep. Wanneer ze met een razend “Sick Of It” de boeken toe doen, is al lang duidelijk dat Hungry een band is om in de gaten te houden.
En dat blijven we ook vinden van Pales, zelfs al laat de groep nog altijd te veel pauzes tussen zijn strakke songs vallen. “Piece Of Meat” drijft op een hongerige bas, de gitaren zijn het juiste soort nijdig en kortaangebonden. Grappig is het ook hoe Celia Souarit een nummer stilletjes laat sterven en zo het gevecht met de zo gevreesde Dutch Disease aangaat. Terwijl ze haar “aah”s stiller en stiller laat worden, zwelt het geroezemoes aan de bar van Worm aan, maar de frontvrouw weet wat ze doet: dat de groep luid kan zijn, wordt meteen duidelijk: Pales heeft tanden.
En dan: een muziekdoosje, een omineus invallende bas, en Marcel, die trots uit ons eigen Luxemburg, is gank. We zijn zaterdagmiddag vroeg, dit is The official unoffical, het nevencircuit van Left Of The Dial, en op de V11 – dat is een boot – gaat frontman Amaury Louis flink tekeer in dik aangezet cockney terwijl de band achter hem prettig jakkert en jaagt. Dat er vandaag weer protesterende jongeren zullen zijn, is hem overgewaaid vanuit Frankrijk, en dat we die maar beter kunnen steunen, zegt hij. Gelijk heeft hij.
En is postpunk op weg naar de uitgang, dan is punk de evergreen die nooit echt verdwijnt. Het zevenkoppige Omertà doet op dat vlak wat het ook met drie had kunnen doen, maar dat is gewoon omdat het zo nog veel plezanter is. Een cover van Nancy Sinatra’s “These Boots Are Made For Walkin'” wordt met passend gebrek aan respect gebracht, en toont zo aan dat deze set muzikaal weinig om het lijf heeft. Toch is het zo aanstekelijk in zijn hotemetotigheid, dat een mens blij is dat hij er bij was. Punk als escapisme: wie had dat gedacht.
En zo passeert ook de prettige hobbelpunk van La Flemme. In schattig Franglais gidst frontman Jules Massa van song naar song, boeiender is het hoe elk nummer op elk moment een onverwachte wending kan nemen met een tierelierende orgelsolo of mondharmonica. Nummer na nummer groeit zo de intensiteit, tot La Flemme speelt met een overgave die niets meer te verliezen heeft. De beloning is aan het slot “Camas”, alweer heerlijk deinen met een bubblegumrefrein dat zo hard om meezingen smeekt dat de groep het minutenlang van zijn publiek afdwingt. Kijk, daar wordt een mens dus blij van.
Goed gelachen ook op de laatste avond met Lawn Chair, een project dat wel het gevolg van een internationaal uitwisselingsprogramma moet zijn. De Amerikaanse Claudia Schlutius vormde in Keulen een bandje met der Eric, der Max, der Michael und der Philip. ’t Is postpunk, Jim – of hoe u mag heten – maar dan van de funky soort, heeft iets van de onnozele losbolligheid van The B52’s, en dat is volledig op het conto van de knettergekke frontvrouw te schrijven die de zoutpilaren achter haar compenseert door werkelijk elke hoek van de Mono te verkennen. De sterkste songs zijn “War Machine” en “Sunset Heartbreak”, het beste moment volgt wanneer ze slotsong “Good Boy” inzet van uit een achterhoek van het podium, rechtkrabbelt, zich op de buik werpt, om opnieuw overeind te komen, en helemaal loos te gaan. Goed gelachen, maar dus stiekem ook goedkeurend geknikt.
Milk Inc.-hyperpop
Zullen we anders even gaan dansen? Misschien beter niet, en al zeker niet bij Ashnymph, helaas, want wat in de voorbereiding wat Soulwax-achtige vibes deed vermoeden, blijkt in de Sahara een dikdoenerige knoppendraaier die voor geen meter weet te begeesteren. Ja, Will Wiffen zingt een beetje als een Dewaele, maar dan nog minder toonvast. En verder valt over deze derderangs elektronica niets te melden, net als over Lucky Iris, dat in hyperpop beweert te dealen, maar dan zoals dat zou worden gebracht door een Milk Inc. zonder charisma. Het beste? “Fall In Love With The DJ”, dat drijft op onderwaterbeats en glitchende vocals. Slechtste? “Lalalala”, een titel die zelfs Kabouter Plop liever liet liggen.
Neen, dan is Hyd fascinerender. Gekleed in een witte mermaid dress schrijdt Hayden Dunham het kleine podium van de Salsability op, om een set vol slome elektropop in te zetten. Je hoort dat hen mee aan de wieg van de hyperpop heeft gestaan, weet hoe een popsong als “Trust” in elkaar moet steken. En wie het waagt om Nick Caves “Into My Arms” zo’n behandeling te geven, heeft niet alleen lef, maar weet ook dat hen daarmee wegraakt. Het doet allemaal zelfs wat Berlinisch aan, met die Molly Nilsson-synths en Discovery Zone-wazigheid. En dat dat nieuwe nummer met haar ongemakkelijk kijkende IJslandse producer ietwat dood valt? Ach.
De omweg waard
En zo is het op dit Left Of The Dial zonder rode draad dat we bij de vreemde eendjes pas de echt sterke dingen vinden. “Take me to church”, zong Hozier ooit, en dat indachtig vinden we in de naar Hollandse normen flamboyante Paradijskerk – “wij zijn oud-katholieken!” – MF Tomlinson, een man die zijn blazers graag dicht bij zich houdt. De dwarsfluit van Gail Tasker is alomtegenwoordig, toetsenist Kayvon Nabijou schakelt fluks over naar zijn sax als dat nodig is, en naast hem duikt dan onvermijdelijk een trombonespeler op. En dat is goed zo.
De naar London uitgeweken Australiër geeft zijn nummers de tijd en de ruimte. Rustig bouwt hij op, laat hij melodieën rondwandelen, vooraleer hij ze ergens heen neemt, maar altijd blijkt de eindbestemming die omweg waard. Tomlinson en muzikanten creëren muzikale tuinen die tot onthaasten dwingen, tot vertragen. En wanneer alles culmineert in “Die To Wake Up In A Dream” is het moeilijk ons los te maken om alweer naar een volgende band te fietsen.
Vraag ons ook niet wat voor genre Holly Head staat te spelen, daar veel te vroeg op die V11 zaterdagmiddag, maar wat een optreden! Van bij “No Gain” zit alles goed: melodie, power in de afwerking, een Song met hoofdletter S. Om maar niet te zeggen dat het viertal die opener vierklauwens attaqueert als een losgeslagen paard. En zo gaat het in elk nummer: er gebeurt instrumentaal al zoveel, dat frontman Joe – u snap het ondertussen: bands zitten hier al eens in zo’n vroeg stadium dat de muzikanten nog geen familienaam hebben – niet eens een microfoon nodig zou hebben. De man schakelt niettemin van zingen naar schreeuwen en weer terug in fracties van secondes. Hij is goed in dat laatste, minder in dat eerste, maar ook dat maakt niet uit; het klopt allemaal van de eerste tot de laatste noot. Het eindigt op het podium in een joyeuze vleeshoop wanneer bassist Liam de tweede gitarist tegen de grond werkt, om met een grote grijns te checken of alles ok is. Jonge honden? Yup; nat achter de oren nog.
En dan was er nog Yoo Do Right, zomaar op een varende boot omdat ook dat Left Of The Dial is, en iemand dringend het idee om de Flandria-cruises voor iets interessanters in te zetten zou moeten oppikken. Het begint nog als vinnige kraut, met zin voor melodie, sfeer en energie, maar het krijgt langzamerhand het publiek zo op zijn hand dat er een moshpit ontstaat waarin Cameron Bilsland van voorprogramma Insider Trading het voortouw neemt. Terwijl de groep onder stoom komt, evolueert de menigte naar een soort dansende groepsknuffel, en dan lost Yoo Do Right een Battles-achtige logge beat, en je merkt dat er iets schuift.
Plots wordt dat intellectuele gepiel iets anders. Je kunt bijna het moment vastpakken waarop alles plots ook fysiek wordt, niet langer het hoofd luistert maar het lijf voelt. En dan wordt het leuk natuurlijk. Bilsland is het eens met ons, plakt ondertussen crowdsurfend tegen het plafond van de cruiseboot. In de verte komt de haven weer in zicht, de conclusie drijft net voor ons uit. Left Of The Dial 2026 was een flipperkast, een ongeleid projectiel van een festival waarin de bands van morgen uit alle hoeken kwamen, zowel geografisch als muzikaal. Als dit een blik op de toekomst was, dan is die caleidoscopisch.
Hebben we niets op tegen.



