Smashing Pumpkins :: Siamese Dream (1993)

Een moeilijke tweede plaat, elke groep heeft er last van. Zo ook Smashing Pumpkins toen ze aan de opnames van de opvolger voor hun nogal lauw onthaalde debuut Gish begonnen. Billy Corgan kreeg ruzie met de rest van de groep en terwijl zij in de studio naar de televisie keken, speelde hij de meeste gitaar- en baspartijen zelf in.

"Off we go!" was het. Met de roffelend intro van "Cherub Rock" begint een rollercoaster van een uur waarin elke song de kracht van een single heeft en de singles nog sterker zijn. Welke waren die singles? Vooreerst "Cherub Rock", een moker van een song die direct de toon zet, "Today", ultieme grunge-pop met meer refrein dan iets anders, en natuurlijk "Disarm": pauken, bellen, toeters en een perfecte tekst. Klein jongentje Billy Corgan kijkt, gevangen in het lichaam van een volwassene, naar de grote, boze wereld rondom hem. Ontwapenend indeed.

Op Siamese Dream vinden de Pumpkins hun eigen geluid in de perfecte combinatie van goede riffs en noisy gitaarwolken. "Quiet" is zo’n lap rond de oren die je niet gauw vergeet, net als de brug tussen "Hummer" en "Rocket", die je klaarmaakt voor het geweld dat er met dat laatste nummer aankomt. "Soma" begint na de finale van "Disarm" heel stil, maar bloeit al gauw uit tot een van de mooiste songs die de groep ooit schreef. "Geek USA" en "Mayonaise" maken een sterk trio compleet en "Spaceboy" vormt Corgans ode aan zijn jongere broertje.

Tijd voor de grote finale. Een korte stemsample luidt "Silverfuck" in. Een scheurende gitaar spreidt het bed voor een donderende drumintro, die gaandeweg overgaat in een stuwend ritme waarover Corgans ingehouden zang enkel het hoogstnoodzakelijke doet. Het eerste refrein gaat over in een woeste chaos van drums en gitaren die daarna wordt afgebouwd tot enkel de bas overblijft. Corgan blijft voor zich uit murmelen, harde woorden kruipen allerliefst uit zijn mond terwijl de gitaren zich af en toe — strak aan de leiband gehouden — laten horen. Na twee minuten volgt de verlossende, finale eruptie, eindigend in een orgie van feedback. Dit was Siamese Dream, thank your for coming.

Neen. Hierna hoort nog een coda en die krijgen we ook met het lieflijke "Sweet sweet" dat uit het oog van de orkaan komt gekropen en een kort bruggetje legt naar de ultieme afsluiter "Luna". En daarmee is alles gezegd: Corgan heeft zijn meesterwerk gemaakt, de recorderknop mag uit.

Wat daarna volgt, is vooral jammer. Corgan vertilt zich aan de opvolger Mellon Collie and the Infinite Sadness — een conceptuele dubbelaar die beperkt had kunnen worden tot een sterke enkel-cd — en raakt op Adore het spoor nog verder bijster. Optredens worden alsmaar slechter en toetsenist Jonathan Melvoine bezwijkt aan een overdosis. Met MACHINA: The machines of the God verschijnt de zwanenzang van een groep die zichzelf heeft overleefd. Het is de handdoek in de ring van een muzikant die het geloof verloren heeft in wat hij het beste kon: pakkende rocksongs schrijven.

Alle goeie dingen bestaan uit drie, hield onze grootmoeder ons altijd voor en misschien is dat met rockgroepen ook zo. Na Vitalogy had Pearl Jam alles gezegd wat er te zeggen viel en na Ok Computer kon Radiohead maar één ding doen en dat was in se een nieuwe groep worden. Pearl Jam verloor alle relevantie door koppig te blijven doen waar ze goed in zijn, maar dan op een minder niveau. Zo ook The Smashing Pumpkins, door wanhopig met elektronica en eightiesorgeltjes te willen knoeien. Billy Corgan werd het laatst gesignaleerd bij New Order — hij speelde ritmegitaar op hun Amerikaanse tournee. Alle respect voor New Order, maar het klopt niet, vinden wij. Corgan moet een jong, beginnend groepje bijstaan dat hard aan de weg staat te timmeren met wilde, opwindende rock zodat hij zelf weer de smaak te pakken krijgt. Want als er één ding is dat Siamese Dream heeft bewezen, is het dat Corgan op zijn best is bij dit soort muziek.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × drie =