Black Midi :: Schlagenheim

Schlagenheim gaat héél hard op je tenen staan.

Negen seconden in het openingsnummer “953” en het is boel. Geordie Greep trekt mijn zijn linkerhand sprintjes tot aan de kin van zijn gitaar. Morgan Simpson slaat zijn drum een bloedneus. Het is oorrokend luid. En dan declameert Greep droog en scherp met zijn jaren ’50-stem; het soort stem dat doet denken aan een autoritaire vader die een slecht rapport voorleest: “This is not who you are / Not who you want to be / Not who I want you to be”. Waarna de gitaren en drums opnieuw beginnen te roepen en blaffen. Nu is het écht boel.

Ook de andere nummers op Black Midi’s debuut Schlagenheim gaan op je tenen staan. Ze doen dat zoals vinnige postpunk dat hoort te doen: hard, nooit lang genoeg opdat je erop kunt reageren, en altijd met een arrogante grijns op hun bek. De brutaliteit is bekend terrein – IDLES, Shame, Fontaines D.C. en Jack White marineren er hun gitaren al langer in. Maar hier voelen de pijnscheuten in je tenen niet helemaal hetzelfde aan. Black Midi is anders, zoals Royal Blood dat zes jaar geleden ook was.

Het geweld komt van vier bonenstakige jongens: Geordie Greep, Morgan Simpson, Matt Kelvin en Cameron Picton. Geen van hen is oud genoeg om al een vaste supermarkt te hebben of te tobben over welk tapijt het minst vloekt met de gordijnen. Maar ze hebben nu al bovengemiddeld veel krassen en tape op hun gitaren, en Greep kent een marionettenkozakkendansje dat gechoreografeerd had kunnen zijn door Charlie Sheen in een hotelkamer in Saigon. 

De vier hebben elkaar leren kennen op de BRIT School, de Londense academie waar onder meer Adele en Jasper Erkens op regelmatige basis in aanraking zijn gekomen met puistjes, liefjes en muziek. Binnen de klasmuren leerden ze over Kraftwerk, erbuiten luisterden ze naar Death Grips, Congolese soukous en Lady Gaga. En naar het genre Black MIDI, waarbij muzikanten miljoenen noten in één nummer proppen, met het verrassend aangename effect dat je brein ervan gaat smelten.

Vooral de repetitiekotten bleken bepalend voor hun afwijkende muzikale identiteit. Daar experimenteerden ze met drone- en andere billboardonbekende muziek. Ze improviseerden met instrumenten, namen passages op met hun smartphones, staken mentale bladwijzers in games en kranten. In die kotten zweetten ze het concept Black Midi bijeen.  

Dat concept heeft een paar krachtlijnen. Er is Greeps stem, die op zowat elk nummer over een fijne grens tussen droog en compleet krank sillywalkt. Op “Years Ago” squealt hij als in een horrorfilm, op “Ducter” declameert hij Engelse woorden met een Duitse tongval. Er zijn de prominent gemixte drums van Simpson – op “Speedway” klinken zijn cimbalen alsof iemand vlak naast jou uit een spaarvarken aan het grissen is.

En er zijn de lyrics, die balanceren tussen absurd en pertinent. In de titeltrack cast Greep zichzelf in de rol van een door eenzaamheid, porno en de algehele tijdgeest gefuckt figuur. Hij blijft achter met verwrongen ideaalbeelden: “But I dream of a woman with the teeth of a raven / And the hands of a porcupine”. Je huivert, en je huivert omdat je het snápt.

Bovenal blijft Schlagenheim een hoogst veranderlijk beest. Een laat hoogtepunt op de plaat is de single “Bmbmbm”. Minutenlang werkt de baslijn als een lichtend baken waarop Greep zich met zijn lofi vocaal gezwabber kan oriënteren. Tot de hele textuur van de song ineens wegsmelt tot noise en screams en dwangbuispunk en het van vrouwen en kinderen eerst is. Het is op die kenterpunten – de korte momenten waarop je de DNA-cellen van de sound ziet delen en muteren – dat Black Midi de huidige postpunkscene overstijgt. En op alle andere momenten is het gewoon serieus boel.  

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in