The Wolf of Wall Street

Er zit een scène, bijna aan het einde van The Wolf of Wall Street, waarin entrepreneur en bedrieger Jordan Belfort zijn aandelenmakelaars oppept voor een nieuwe dag van agressieve verkoop en zwendel. Hij begint zichzelf letterlijk op de borst te kloppen. Het ritme wordt overgenomen door zijn werknemers en al gauw staat de hele verdieping te springen – ze belanden in een collectieve hysterie, waarin al hun energie, al hun testosteron, maar op één ding gericht is: geld verdienen. Liefst het geld van anderen.

Die scène vat de film goed samen. Met The Wolf of Wall Street gaat Martin Scorsese voorbij aan de mechaniek van de louche deals waarmee sommigen steenrijk worden en veel anderen hun hemd verliezen, om te peilen naar iets fundamentelers: wat drijft mensen om te blijven frauderen, zelfs nadat ze zoveel geld hebben achterover gedrukt dat ze niet meer weten hoe ze het nog moeten verstoppen voor de overheid? Waarom houden ze er niet gewoon mee op? Scorsese zoekt het antwoord op een primair niveau van mannelijk haantjesgedrag: ze gaan voort omdat het goed voelt. Opdat ze zich op de borst kunnen kloppen. Het gaat niet eens over het geld op zich, maar over de wetenschap dat zij het kùnnen krijgen, en een ander niet.

Leonardo DiCaprio raast als een bezetene door de film als Belfort, die in de late jaren tachtig zijn eigen makelaarskantoor begint in Long Island. Samen met enkele collega’s, waaronder Donnie Azoff (Jonah Hill), begint hij aan een steile opmars in de financiële wereld: hij zet cliënten onder druk, verkoopt aandelen ver boven hun waarde en doet over het algemeen gewoon alles wat niet mag om zo snel mogelijk rijk te zijn. En dat werkt: al gauw steekt hij bijna een miljoen dollar per week in zijn zak. Belfort en de zijnen consumeren dagelijks een berg drugs en sloten drank, ze bespringen elke vrouw die ze zien en ze houden epische kantoorfeestjes. Het spreekt voor zich dat de FBI zich al snel met Belforts zaakjes gaat bemoeien.

Wie een ernstig drama had verwacht over de morele ondergang van de financiële sector: vergeet het maar. Scorsese heeft van dat waar gebeurde verhaal een bijna hysterische comedy of bad manners gemaakt. Belfort en co zijn misschien clever genoeg om zich te verrijken op de kap van een ander, maar ze zijn allesbehalve intellectuelen en eens ze hun geld hebben, weten ze er niets anders mee te doen dan weg te zinken in een bodemloze decadentie. The Wolf of Wall Street is een schets van personages die geen enkele remming meer hebben en gewoon àltijd doen wat ze op dat moment willen doen, zonder na te denken.

In de praktijk betekent dit dat The Wolf of Wall Street, ondanks zijn lengte van 180 minuten, één grote energiebom is. Er wordt constant geroepen, gedronken, gefeest, gesnoven, geneukt. De camera staat geen moment stil, we krijgen felle kleuren, snelle cuts en een bewust opdringerige voice-over. Denk aan de intensiteit van Casino, maal vijf. En dàt drie uur lang. Met zijn 71 jaar heeft Scorsese hier wellicht zijn meest opgefokte, razendsnelle, hyperkinetische film gemaakt, die continu van de rails dreigt te gaan om te ontaarden in onsamenhangende chaos – het feit dat dat niet gebeurt, is het beste bewijs van zijn vakmanschap. Scorsese verliest geen seconde de controle. Er zijn veel regisseurs die veertig jaar jonger zijn, maar de energie noch het lef zouden hebben om een dergelijke film te maken.

Scenarist Terence Winter concentreert zich eerder op de decadentie dan op de details van de financiële transacties. Telkens wanneer Belfort dreigt om ons uit te leggen hoe zijn zaakjes precies in elkaar zaten, houdt hij zichzelf tegen: “Dit is veel te ingewikkeld, je snapt ’t toch niet. De clou is dat ik 20 miljoen verdiende.” Scorsese wil een analyse maken van de levensstijl, niet van de vuile deals. En die analyse is niet minder accuraat of indringend omdat ze regelmatig hilarisch en soms grotesk is.

De acteerprestatie van Leonardo DiCaprio wordt her en der omschreven als zijn beste tot op heden – het is in ieder geval zijn meest showy rol, die net als de film zelf uit één en al extremen bestaat. Zijn energie en zijn wil om gewoon drie uur lang een gewetenloze douchebag te zijn, zijn in ieder geval bewonderenswaardig, en DiCaprio toont, in misschien wel de beste scène uit de film, ook een verrassende gave voor fysieke humor. “Ik ontdekte een nieuwe fase in een roes van Quaaludes: hersenverlamming,” horen we hem uitleggen, en de begeleidende uitbeelding daarvan is fenomenaal. DiCaprio wordt omringd door klassebakken, maar het is vooral Jonah Hill die uitblinkt als Donnie Azoff, een nerd die ontdekt dat het afwerpen van alle scrupules een goede manier is om geen loser meer te zijn.

Sommige van de kritieken tegen de film zijn begrijpelijk: The Wolf of Wall Street is zodanig over de top, dat hij voor sommige mensen wellicht te veel zal zijn. Zorg dat je goed uitgerust bent, want dit is een coked up-ervaring die drie uur lang het gaspedaal tot aan de vloer ingedrukt houdt en dat kan ook uitputtend werken. De prent gaat ook – bewust – niet echt in de diepte: Belforts leven was één en al oppervlakte, en dus is de film dat ook. En ja, hier en daar zijn de gelijkenissen met Goodfellas en Casino wel héél nadrukkelijk. Maar wat dan nog? Het feit dat Scorsese, twintig jaar later, datzelfde energieniveau kan behalen en overtreffen, is weinig minder dan miraculeus.

Omdat The Wolf of Wall Street volledig verteld wordt vanuit Belforts perspectief, laat Scorsese zich ook niet verleiden tot het beoordelen van zijn personages. Belfort wordt bestraft, maar zit niet lang in de gevangenis en begint daarna aan een bloeiende carrière als motivational speaker – hij heeft niet veel geleerd van zijn ervaringen en moet zijn slachtoffers ook nooit onder ogen komen. Voor sommigen was dat al genoeg om te argumenteren dat de film de levensstijl van Belfort idealiseert, maar het is exact dat uitblijven van een morele verlossing waarmee Belfort definitief wordt veroordeeld in de ogen van de regisseur en het publiek. Het spel van de hebberigheid gaat onverminderd voort, met alle excessen die erbij horen. Met dié boodschap stuurt Scorsese ons naar huis, en dat komt veel harder aan dan eender welk betuttelend, moraliserend einde ooit had gekund.

Ondanks eender welke gebreken die je de film ooit zou kunnen aanwrijven, is The Wolf of Wall Street opwindende, viscerale cinema. Een knock-out.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in