Hooverphonic presents Jackie Cane

Een conceptplaat over het groeiende succes van Jackie Cane en het daaropvolgende verval van de diva, dat wist Alex Callier, het creatieve brein van Hooverphonic, ons via alle mogelijke media-kanalen in te fluisteren. En dat het een plaat is die hem voor eenmaal toeliet kitsch-elementen te gebruiken. Valt er dan nog iets zinnigs te zeggen over deze plaat?

De Belgische muziek beleeft weer hoogdagen: de familie Bettens gaat uit elkaar en er is een nieuwe plaat van Hooverphonic. Een plaat waar wellicht alles al over gezegd is, tenminste inhoudelijk. Alex Callier heeft het in de talloze interviews over het concept van de plaat: het leven van Jackie Cane, een diva die op de vorige cd, The magnificent tree, voor het eerst opdook. En Jackie blijkt een boeiend leven te hebben, of althans boeiend genoeg voor de rode draad van de plaat.

We treffen Jackie Cane echt wel overal deze dagen: Radio 1, Radio 2, Stubru en Donna plaatsten de eerste single "The world is mine" hoog bovenaan de playlist. Een leuke en poppy meezinger, waarvan iedereen stiekem wel meent wat ie staat mee te kelen. Een aangenaam melodietje dat in je hoofd blijft nazinderen. Meer dan dat is het nummer echt niet, en de rest van de plaat blijft helaas ook op dit matige niveau.

Met "Nirvana blue" trekt zangeres Geike Arnaert haar mooie stemregisters open. Maar helaas niet alle registers. Ze kan veel meer met haar stem, en dat merken we tijdens live-shows. In ‘t echt horen we Arnaert de meest onmogelijke dingen met haar stem doen: niet alleen haar stembereik en volume spreken tot de verbeelding, ook de ongelooflijke sprongen die ze kan maken, van intiem tot uitbundig, van diep tot heel hoog, van fragiel tot zelfverzekerd. Op Hooverphonic presents Jackie Cane is het allemaal nogal vlak en ingehouden, liggen de uitersten en extremen veel dichter bij elkaar.

Voor een echt hoogtepunt op Hooverphonic presents Jackie Cane moeten we wachten tot "Day after Day". Het nummer drijft op warme Zuiderse ritmes, en is pittig opgesmukt met pizzicato-violen. Ondanks de (inhoudelijke) nakende ondergang van Jackie Cane — ze is al behoorlijk gek («marinated in wine and tabacco/all these voices whisper/whisper and whisper/and day after day») — is het een feestelijk lied dat je zo naar de zomerse dansvloer stuwt.

Naast al dat feestgedruis is er ook plaats voor enkele intieme nummers. Niet alleen het erg ingehouden, haast intimistische "Nirvana Blue" hoort hier thuis, maar ook "Sad Song" en de afsluiter van de plaat, "The Kiss", kunnen we in dat rijtje plaatsen. Drie eenvoudige, rustige nummers waar de stem van Geike steevast de prominente plaats verovert, de aandacht trekt en de instrumentatie regelrecht naar de achtergrond verwijst.

Hooverphonic slaat met deze plaat een nieuwe weg in. Een weg die steeds verder van het debuut A new stereophonic sound spectacular ligt. Een weg die zeker nog moet uitgegraven worden. De plannen zijn er al, de afwerking nog niet. Er zit meer in, Hooverphonic heeft potentieel. In welke verhouding dat dit potentieel tot de gecultiveerde arrogantie van Alex Callier staat, is echter een andere zaak.

Hooverphonic presents Jackie Cane is een plaat die drijft op middelmatigheid. Middelmatige kitsch (meer dan wat overdreven orkestratie, wat overbodige violen en wat typische gedramatiseerde wendingen in nummers vinden we eigenlijk niet veel kitsch op de plaat), middelmatige pop, middelmatige zang. Een aangename plaat, dat wel, en met heel leuke meezingers, maar niet meer dan dat. Geen technische of muzikale hoogstandjes. Opener "Sometimes" kondigt het matige niveau van de rest van de plaat aan. Voor ondergetekende staat de plaat alvast synoniem met het doorkruisen van het glooiende landschap. En daar willen wij tegenwoordig ook muziek voor, zo verwend zijn we nu eenmaal.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in