Het eeuwige versus het vergankelijke, in-casu-schoonheid en de menselijke conditie versus de vergankelijkheid van een dictatoriaal regime. Dat is het centrale thema van The President’s Cake, reeds prachtig verbeeld in de opening die een pittoresk rivierbeeld laat zien waarboven twee straaljagers de lucht doorkruisen en de camera vervolgens aan de oever een waterbedeling aan de bevolking onthult. Het is een beeld dat doet denken aan de openingsscène van Satyajit Rays Distant Thunder, waarin een stilleven van een boom verstoord wordt door in de verte weerklinkende explosies. Dat is in ieder geval een vleiende vergelijking voor dit geslaagde langspeeldebuut van de Iraakse regisseur Hasan Hadi die voorheen enkel de kortfilm Swimsuit draaide, maar voor zijn eersteling meteen twee prijzen – een publieksprijs en de Camera d’Or – mee naar huis mocht nemen in Cannes.
De cake uit de titel is die die de jonge Lamia moet bakken in opdracht van haar onvriendelijke en autoritaire leerkracht, ter ere van de verjaardag van president Sadam Hoessein, de dictator die met ijzeren hand Irak regeerde en binnen het tijdsgewricht van de film wel al Koeweit was binnengevallen, geconfronteerd werd met gevechten en met strenge internationale sancties, maar nog niet aankeek tegen de rechtstreekse invasie die een eind zou maken aan zijn regime (pas een goed half jaar na de inval in Koeweit zouden de Amerikanen officieel “Operation Desert Storm” lanceren). Lamia heeft – mede ten gevolge van de sancties – niet de middelen om aan haar opdracht te voldoen, en dus moet ze op zoek naar ingrediënten. De film ontvouwt zich daardoor als de queeste van een kind, zoals hier en daar al werd opgemerkt, een structuur die doet denken aan Waar is het Huis van mijn Vriend? of De Witte Ballon, de Iraanse films van respectievelijk Abbas Kiarostami en Jafar Panahi, waarin eveneens kinderen een schier onmogelijke opdracht aanvatten.
Bijzonder opvallend is dat Hadi de hoeken van zijn breedbeeld afrondt, waardoor het vreemde effect ontstaat van een soort postkaart, of “venster”, waardoor we de gebeurtenissen gadeslaan. In interviews sprak de cineast over zijn intentie om een soort afstandelijke nostalgie op te wekken, iets waar die ingreep zeker toe bijdraagt. Het lijkt soms alsof we een droom gadeslaan, de gekleurde kijk van een kind op de rauwe realiteit. Dat kan meteen gelden als metafoor voor de film zelf, aangezien de regisseur put uit zijn eigen kinderjaren en dus inderdaad een door een medium gefilterde blik op zijn eigen herinneringen creëert.
Hadi toont zich in dat alles een klassiek en beheerst filmmaker, maar ook een goed observator die subtiele details binnensmokkelt die nooit uitgespeeld worden als dramatische momenten maar wel de wereld van de diëgese uitdiepen: een man met een lege jerrycan die een andere automobilist aanspreekt in de achtergrond, een meisje dat tegen haar zin de tent van een militair in wordt getrokken terwijl de scène focust op
donaties die ingezameld worden voor de verjaardag van de president, of een meer opvallend shot dat een portret laat zien van de grote leider met daarnaast een spiegel die het leven reflecteert en de realiteit van de bevolking – een wereld waarin zich bekommeren om iemand anders eigenlijk een luxe is die niemand zich kan permitteren.
Dat alles maakt van The President’s Cake een zelfzeker en verzorgd debuut en van Hasan Hadi een naam om in het oog te houden.



